zaterdag, februari 28, 2009

Achsa

Sommige dames in de Bijbel vallen op vanwege een specifieke gebeurtenis. Achsa (Joz. 15:16-19; Richt. 1:12-25) is er zo een, als eerste haar naam עכסה "Achsa" welke de betekenis heeft van "zich versieren" en dan in de specifieke betekenis van "enkelband" (cf. Jes. 3:16,18; Spr. 7:22). Je zult maar zo heten "enkelbandje" en of dat nog niet alles was, ze was bovendien nog eens door haar vader beloofd als prijs voor de man die Kirjath-Sefer (=Debir) wist te veroveren (Joz. 15:16; Richt. 1:12).

Haar neef Othniël, de allereerste richter van Israël en een zoon van zijn broer Kenaz had wel zin in haar en veroverde de stad en kreeg zo haar tot vrouw. Als bruidsschat hadden ze zeer waarschijnlijk een gebied in de buurt van deze stad gekregen, maar deze was niet geheel naar de zin van Achsa, omdat er weinig water in de buurt was. Als eerste begon ze haar man Othniël te prikkelen dat die bij haar vader moest gaan klagen. Ze had al een שדה veld op het oog (Richt. 1:14). Maar of Othniël nou treuzelde of niets tegen zijn schoonvader durfde te zeggen is onbekend, in ieder geval was Achsa zelf geprikkeld genoeg om op haar ezel naar haar vader te galopperen, waarbij ze of zoals de SV zegt van haar ezel afsprong, of zoals het Hebreeuwse woord צנח zich laat uitleggen, al klappend in haar handen (dus nog op haar ezel) de aandacht van haar vader trok. Maar ook dat laatste is nog niet helemaal de betekenis, in de geschiedenis van een andere vrouw, Jaël, wordt dit woord gebruikt toen ze een tentharing in het hoofd van Sisera צנח sloeg (Richt. 4:21). Het best is deze tekst te verklaren dat ze op een indringende manier haar mening wist door te drijven.

Als haar vader vraagt wat ze wil (vs. 15), begint ze meteen met יהב Geef mij een בכרה zegen; waarbij je in plaats van zegen ook "geschenk" kan lezen. Ze verwijt haar vader dat die een dor/droog land heeft gegeven en dat ze daar wel een paar גלה bronnen of sprengen bij wil hebben. Of haar vader overrompeld is door deze toon van zijn dochter, of dat dit een normale manier van omgang was tussen vader en dochter is niet bekend, maar het had wel effect: ze krijgt haar bronnen. De tekst spreekt van hoge en lage bronnen, hieronder moeten we dan denken aan bronnen die hoger op de berg en onderaan de berg lagen.

Onderwaterarcheologie

Vraag je je ook wel eens af wat voor schitterende schatten op de zeebodem liggen. Grote hoeveelheden schepen zijn in de loop der eeuwen vergaan in stormen en namen hun bagage mee naar de zeebodem. De kosten om deze te bergen loopt in de miljoenen, denk alleen al aan de kosten van het schip dat hiervoor aangeschaft dient te worden. En helaas de filantropen zijn niet te vinden, zeker niet nu met de huidige kredietcrisis.
Gelukkig is er één land waar je altijd op kan vertrouwen: de VS, zij hebben een uiterst geavanceerd schip gratis ter beschikking gesteld aan een ieder die het maar wil hebben.


Natuurlijk denken jullie meteen dat is grote fantasie, dit slaat kant nog wal,maar met zo'n geweldig schip kan je gewoon niet de boot mee ingaan. Het heeft zelfs het juiste gereedschap aan boord. Wie meer wil weten lees de volgende artikelen over dit geweldige aanbod:

Biblioblog Top 50

De nieuwe Biblioblog Top 50 is uitgekomen en is tevens verplaats van N.T. Wrong naar zijn eigen The Biblioblog Top 50 site.

Helaas sta ik deze maand niet in de lijst, maar ik neem aan dat jullie lezers de komende maand alle moeite gaan doen om ervoor te zorgen dat ik in de top 50 van maart weer present ben ;)

vrijdag, februari 27, 2009

Christenvervolging

Een overzicht van de belangrijkste (kranten)koppen van de afgelopen dagen die met christenvervolging te maken hebben.


donderdag, februari 26, 2009

Darwin en God

Onder deze titel heeft John Hobbins, op zijn blog Ancient Hebrew Poetry, een reeks artikelen die zeer de moeite waard is om te lezen:

Waaruit bestond het leiderschap van ‘oudsten’ in de NT gemeente? (3)

Onderstaand artikel is de laatste uit een reeks geschreven door drs. Gijs van den Brink, hier kunt u het eerste en tweede deel lezen.

De rest van het Nieuwe Testament

In de overige boeken van het Nieuwe Testament komen de oudsten, hoewel minder pregnant, nog voor in de brieven van Jakobus, Petrus en Johannes. We zullen de plaatsen kort bespreken en zien of ze passen in het beeld dat we tot nu toe hebben gekregen.

In Jak.5:14 lezen we dat zieken worden aangemoedigd de oudsten van de gemeente te roepen en voor zich te laten bidden. Omdat Jakobus niets zegt over de kerkstructuur, kunnen we zowel veronderstellen dat de gelovigen in één stad leven als dat ze tot één huisgemeente behoren. Het kan dus zijn dat Jakobus met oudsten bedoelt oudere, wijze, gerespecteerde broeders (vgl. 1Tim.5:1). Dan kan het om een huisgemeente gaan. Het kan echter ook zijn dat hij leiders van verschillende huisgemeenten bedoelt, dus de leiders op stads- of streekniveau, die hij gezamenlijk aanduidt met ‘de oudsten’. Dan wordt in deze brief ekklēsia gebruikt in betekenis II, d.w.z. alle gelovigen in een stad of streek.xxix

Ook Petrus spreekt in zijn brief over ‘oudsten en noemt zichzelf ‘medeoudste’ (1Pet.5:1,5). Omdat hij in 1:1 zijn apostelschap (en gezag) heeft genoemd, moeten we het bescheiden spreken over ‘de medeoudste’ naast andere oudsten hier toch minstens opvatten primus inter pares, ‘de oudste’ (te vergelijken met 2Joh.1:1 en 3Joh.1:1).xxx In lijn met het joodse gebruik gaat het bij een ‘oudste’ blijkens de tegenstelling met ‘jongeren’ (vs.5) om een oudere wijze gelovige, wiens leiding men moet respecteren en volgen.xxxi Maar ook in de Petrusbrief is de gemeentestructuur niet duidelijk. Het woord ekklēsia komt in de brief niet voor. Petrus spreekt in 5:2 over de ‘kudde van God’ (enkelvoud) en in vers 3 over ‘erfgoederen’ (klēroi, meervoud) die aan de zorg van de oudsten zijn toevertrouwd. Als Petrus met ‘kudde’ de universele kerk bedoelt, zijn de klēroi de individuele stads- en streekgemeenten waarop de oudsten gezamenlijk toezien (situatie zoals in de pastorale brieven).xxxii Maar als hij met ‘kudde’ de specifieke gemeenten in Klein Azië bedoelt (1:1), dan kan met klēroi de individuele huisgemeenten bedoeld zijn. De oudsten zijn dan de verantwoordelijke personen uit de diverse huisgemeenten.xxxiii

Dan hebben we nog het gebruik van ‘oudste’ door de apostel Johannes. Hij gebruikt de term in de aanhef van twee van zijn brieven om zichzelf aan te duiden: de oudste aan … (2Joh.1; 3Joh.1).xxxiv Uit het gegeven dat hij dit in twee brieven doet aan een verschillende groep gelovigen, blijkt dat hij met ‘oudste’ een waardigheid aangeeft die niet tot één (huis)gemeente beperkt is. Hij is dé (bekende) oudste, de apostelxxxv, die in meerdere gemeenten groot respect en gezag genoot.xxxvi Dit komt overeen met het gebruik van de term in de joodse gemeenschap en ook met wat we tot nu toe zagen, dat de term oudste pas gebruikt gaat worden waar sprake is van de gemeente op stads- en streekniveau. Er is ook hier geen indicatie dat we aan een functie of een ambt moeten denken.

Conclusies

Zonder in herhaling te vallen willen we tot slot een paar samenvattende en verklarende conclusies trekken:

  1. In de eerste plaats hebben we laten zien dat de these van Von Campenhausen niet de enige en ook niet de meest waarschijnlijke oplossing is om het verschil in leiderschap tussen de vroegere brieven van Paulus (zonder ‘oudsten’) en de latere (of deuteropaulinische, met ‘oudsten’) te verklaren. Het verschil wordt niet veroorzaakt door een overgang van een organische naar een institutionele kerkstructuur, maar door een schaalvergroting, een overgang van de huisgemeente naar de gemeente op stads- of streekniveau.

  2. Leiders die een functie hebben in de nieuwtestamentische gemeenten worden geen ‘oudste’ genoemd, maar eerder ‘opziener’. Opzieners worden aangesteld op stadsniveau, niet op het niveau van de gemeente die op één plaats samenkomt. Daar biedt de structuur van de grootfamilie (‘extended family’) voldoende kader. Op de vraag waarom Paulus in zijn vroegere brieven niet veel meer uitlegt wat een ‘leider’ is, moeten we dan ook geen theologische of geestelijke reden zoeken, maar een sociologische. De rol van de leider als gezinshoofd of familiehoofd was niet onbelangrijk, maar vanzelfsprekend; die rol behoefde geen uitleg. Zolang de gemeente bestond uit één huiskerk, bepaalde het huisgezin de leiderschapsstructuur. De gastheer van de familie was tevens de leider van de gemeente. Dit kon ook een vrouw zijn, zo bv. Nymfa (Kol.4:15), en mogelijk ook Lydia (Hand.16:14) en Phoebe (Rom.16:1v).

  3. ‘Oudsten’ zijn in de vroegchristelijke gemeente (zoals ook in de synagoge) door de gemeenschap gerespecteerde, meestal oudere wijze mannen (uit gerespecteerde families). ‘Oudste’ is geen functie, maar een status. Wanneer de kerk uitbreidt tot meerdere (huis)gemeenten in een stad of streek en er behoefte ontstaat aan leiderschap op stadsniveau, worden uit deze oudsten leiders (episkopoi, opzieners) gekozen om de stads- of streekgemeente te besturen. In de huidige Westerse kerkorganisatie zijn dit soort ‘oudsten’ hoegenaamd afwezig. De kerken zijn denominationeel georganiseerd en niet per stad of streek. Hooguit wordt er per denominatie ad hoc bij grote problemen een commissie van wijze mannen geïnstalleerd.

  4. Vergeleken bij het Nieuwe Testament is de doorsnee plaatselijke kerk in het Westen (de kerk die op één plaats samenkomt) behoorlijk overgeorganiseerd. Het paradigma van het gezin of de familie staat veraf van de meeste westerse kerken. Ze hebben qua structuur meer weg van een vereniging of een organisatie binnen de zorg- of onderwijssector.

Ter afsluiting wil ik de hoop uitspreken dat dit artikel niet gelezen wordt alsof het over woorden gaat. Het gaat niet aan onze leiders ‘opzieners’ te gaan noemen in plaats van ‘oudsten’. Het gaat erom onze kerkelijke structuren eens grondig tegen het licht te houden en ons af te vragen of deze de opbouw van de gemeente van Christus en de verspreiding van het Evangelie in onze omgeving nog wel dienen.


Bronnen:

xxix Martin stelt dat Jakobus met ekklesia de ‘local assembly’ bedoelt, maar maakt vervolgens geen onderscheid tussen de ‘stadsgemeente’ en de ‘huisgemeente’, maar verwijst naar de Qumran gemeenschap. Martin, R. P., James (WBC Vol. 48; Dallas: Word Incorporated, 2002) 207. Davids merkt bij 5:14 op dat het hier een ‘local congregation’ betreft met een verwijzing naar Rom.1:7; 1Kor.1:2; 4:17; 11:16; 1Tes.2:14, maar zegt vervolgens wel dat de kerk in Rome en Korinthe meer dan een ‘congregation’ insloot (!?). P.H.Davids, The Epistle of James (NIGNT; Michigan: Eerdmans, 1982) 193.

xxx J. R. Michaels, 1 Peter (WBC Vol. 49, Dallas: Word Incorporated, 2002) 280.

xxxi Ook het ontbreken van het lidwoord voor ‘oudsten’ wijst volgens Michaels op een informele wijze van leiderschap. Michaels, a.w., 279.

xxxii Zo Goppelt, Der erste Petrusbrief, (KEK, Göttingen, 1978) 327; Michaels zegt het zo: if the “flock of God” is universal in scope (cf. “your brotherhood throughout the world,” v 9), then the “shares” are portions of the universal flock under the care of various elders, or groups of elders, i.e., their respective congregations (cf. Goppelt, “die ihnen anvertraute Einzelgemeinde”). They are not spheres of authority assigned to different elders within each local congregation, but the local congregations themselves, the “flock of God that is in your care” (v 2). Michaels, a.w., 285-286.

xxxiii Zo Campbell, a.w. 206; de keuze tussen de twee opties is afhankelijk van de datering van de Petrusbrief. Wanneer de brief gedateerd wordt ergens in de jaren 60 van de eerste eeuw, is de tweede optie de meest waarschijnlijke.

xxxiv De 24 oudsten in de hemel in Openbaring 4 zijn een verhaal apart en kunnen we hier beter buiten beschouwing laten.

xxxv We gaan er hier van uit dat de tweede en derde brief geschreven zijn door de apostel Johannes. Dit wordt ook wel bestreden. Het woordgebruik van ‘de oudste’ is echter niet afhankelijk van de identiteit van deze persoon. 2Joh. en 3Joh. zijn de enige brieven tussen 50 en 150 n.Chr. die een titel als afzender hebben en niet de naam van een persoon. Brown merkt op dat het niet noemen van de eigennaam een Johanneïsche gewoonte is. “De discipel die ik liefheb” en de “moeder van Jezus” worden in het evangelie van Johannes nooit bij name genoemd. Brown, a.w., 398.

xxxvi Ook Brown stelt dat in beide brieven de indruk wordt gewekt dat de oudste veel waardering krijgt, maar geen juridisch gezag heeft. Brown, a.w., 398.


god haat Nederland

Ja, je ziet het goed, 'god' met een kleine letter. Een groepering als de Westboro Baptist Church die bewust de begrafenis van de doden van de afgelopen vliegramp wil verstoren heeft blijkbaar niets van de Bijbel begrepen. Dus blijkbaar vertegenwoordigen ze een andere 'god'.

Van dit soort misselijk makende berichten, wordt het evangelie in een kwaad licht gezet. Degenen die het wel hebben begrepen zijn zij van het Schiphol-pastoraat, die overuurtjes draaien en een luisterend oor hebben voor de slachtoffers en hun familie.



woensdag, februari 25, 2009

Romeins geld

In de Bijbel wordt regelmatig gesproken over geld, zo zien we dat twee mussen voor een As worden verkocht (Mat 10:29), terwijl de Farizeeën op verzoek van Jezus een Denarius lieten zien (Mat. 22:19) en ze zo duidelijk worden gemaakt dat er het beeld van de keizer op is gegraveerd (vs. 20) en dat ze aan die belasting moesten betalen. Dat laatste is logisch want bij wanbetaling moesten ze in de gevangenis en daar mochten ze pas weer uit als ze tot de laatste Quadrans al hun schulden hadden betaald (Mat 5:26).

Nu bestond dit geld uit goud, zilver en koper, papierpapier zoals tegenwoordig kenden de Romeinen niet. Sommigen vroegen zich af, als ze wel papiergeld hadden, hoe dat er dan uit zou hebben gezien. Hieronder een schitterend voorbeeld van Banknotes.com, kijk vooral ook naar de andere afbeeldingen en de zeer interessante achtergrondinformatie over het Romeinse geld.

Let vooral op de onderste tekst, het "Edict van Milan", waarbij de christenen vrijheid van godsdienst wordt gewaarborgd door keizer Constantijn.

Waaruit bestond het leiderschap van ‘oudsten’ in de NT gemeente? (2)

Onderstaand artikel is de tweede uit een reeks geschreven door drs. Gijs van den Brink, hier kunt u het eerste deel lezen.

Oudsten in Jeruzalem

In Hand. 11:30 wordt voor het eerst over ‘oudsten’ in Jeruzalem gesproken. Het is opmerkelijk dat er niet meer alleen over de apostelen wordt gesproken (vgl. 4:34,37), maar over ‘de oudsten’. Enerzijds behoren de apostelen natuurlijk ook tot ‘de oudsten’ (1 Petr.5:1; 2 Joh.1), maar anderzijds blijkt uit 15:2,4,6,22,23; 16:4 dat er naast de apostelen ook oudsten waren, waarvan Jakobus, de broeder des Heren de eerste was (vgl. 15:13; 21:18; Gal.2:9). Over de aanstelling van deze oudsten bericht Lukas ons niet. Waarom dit niet gebeurt wordt duidelijker als we beseffen dat het bij de gemeente in Jeruzalem niet om een gemeente gaat die op één plaats samenkomt, maar om de plaatselijke gemeente, de stadsgemeente in de zin van alle gelovigen in Jeruzalem. We hebben elders uiteengezetviii dat als we (met Banks en Branickix) op grond van archeologisch onderzoek aannemen dat er gemiddeld 30 mensen per huis samenkwamen, het dan minstens 165 huizen betreft, want er waren in Jeruzalem en omstreken 5000 gelovigen (Hand. 4:4). Het betreft hier dus oudsten van een ekklēsia in betekenis II, de stadsgemeente ofwel alle gelovigen in een stad of streek. Zij zijn samen met de apostelen verantwoordelijk voor het netwerk van huisgemeenten in Jeruzalem. We hoeven er tegen de achtergrond van de oudsten in de joodse gemeenschap niet aan te twijfelen dat ook in de christengemeenschap van Jeruzalem de oudsten die hier genoemd worden de meest gerespecteerde oudere broeders zijn uit de diverse huisgemeenten. Die waren er al en hoefden niet aangesteld te worden.

Lukas over oudsten in Antiochië en Efeze

In Hand.14:23 gaat het over oudsten in o.a. Antiochië in Syrië en in 20:17 over oudsten uit Efeze in Klein Azië. De vraag is of de situatie hier te vergelijken is met die in Jeruzalem.

In 14:23 zegt Lukas dat Paulus en Barnabas in allerlei plaatsen oudsten aanstelden/bevestigden kat’ ekklēsian (per gemeente). Dit staat in contrast met het elders gebruikte kat’ oikon (per huis, bv in 2:46, Jeruzalem en 20:20, Efeze). Om te begrijpen wat er hier gebeurt, moeten we dit lezen tegen de achtergrond van 13:1 waar Paulus en Barnabas zelf werden uitgezegend. De omschrijving in vers 1 ‘er waren in Antiochië in de daar zijnde gemeente’ lijkt erg op de omschrijving die Paulus gebruikt wanneer hij de Korintiërs aanspreekt in 1Kor.1:2.x Dit wijst er volgens Campbell op dat Lucas hier spreekt over de Antiocheense gemeente in haar geheel en dat de genoemde profeten en leraren een erkenning genoten bij de hele gemeente.xi Ook de beschrijving van de werkzaamheden in Antiochië in Hand.11:19vv wijst in deze richting, namelijk dat al ten tijde van Paulus en Barnabas deze gemeente uit meerdere huisgroepen bestond (zoals in Jeruzalem). In een paar verzen wordt tot driemaal toe herhaald dat hier een groot aantal mensen tot geloof kwam (vs.21, 24, 26). Als Lukas in Jeruzalem over aantallen spreekt heeft hij het over 3000 en 5000 personen (2:41; 4:4). Het lijkt me dan ook onmogelijk dat hij met een ‘groot aantal’ in Antiochië niet meer dan dertig, veertig personen zou bedoelen. Het is daarom heel aannemelijk dat de in 13:1 genoemde mannen leiders van verschillende huisgemeenten zijn en dat zij gezamenlijk het leiderschap vormden wanneer de gelovigen te Antiochië kat’ekklēsian bij elkaar kwamen. We mogen dus aannemen dat met ‘gemeente’ in 14:23 niet de huisgemeente bedoeld is, de gemeente die op één plaats samenkomt, maar de stadsgemeente, de gemeente in de zin van alle gelovigen in die stad. Over die stadsgemeente worden oudsten aangesteld/bevestigd.

Er is nog een tweede reden waarom Hand. 13:1 van belang is om de werkzaamheden in 14:23 te begrijpen. In Hand. 13 worden Paulus en Barnabas zelf uitgezegend onder handoplegging met bidden en vasten. In 14:23 gebeurt dit ook, maar nu zijn zij degenen die anderen de handen opleggen en zegenen. Deze sterke overeenkomst helpt ons ook om het woord cheirotoneo dat een heel breed betekenisveld heeft (kiezen [met handopsteking], selecteren, nomineren, aanwijzen, aanstellen, bevestigen [onder handoplegging])xii hier op de juiste wijze te begrijpen. Tegen de joodse achtergrond van de plaats van oudsten als gerespecteerde wijze mannen binnen de gemeenschap, moeten we hier denken aan bevestigen en inzegenen, d.w.z het aan de Heer opdragen van deze mannen in hun verantwoordelijkheid van ‘oudsten’ van de christelijke gemeenschap op stadsniveau. De ‘oudsten’ worden dus niet gekozen of aangesteld, maar zijn vanwege hun leeftijd, status en bijdrage aan de gemeente naar voren gekomen en dat wordt nu door de rondreizende apostelen bevestigd.xiii Zoals Paulus en Barnabas zelf aan de Heer waren opgedragen voor hun reis, zo vertrouwen zij nu op hun beurt anderen toe aan de genade van God.

Met betrekking tot de stad Efeze is het zelfde onderscheid tussen de gemeente ‘aan huis’ en de gemeente ‘per stad’ aan de orde (Hand.20:17). Vanuit Milete stuurde Paulus een boodschap naar Efeze om de oudsten van de gemeente bij zich te roepen. Het gaat hierbij in het woordgebruik van Lukas evenals bij de gemeente van Jeruzalem’ (Hand.11:22), en ‘de gemeente door geheel Judea, Galilea en Samaria’ (Hand.9:31) om de hele stadsgemeente. En het is in deze wereldstad Efeze, evenals in Antiochië, niet aannemelijk dat de christelijke gemeente in deze fase nog maar uit enkele tientallen christenen bestaat. Er is ook hier ongetwijfeld sprake van meerdere huisgemeenten. En Lukas spreekt dus over de gezamenlijke oudsten van een stadsgemeente, die uit meerdere huisgemeenten bestond.

Ook hier worden de oudsten (overeenkomstig de joodse status van oudsten) niet aangesteld, ze blijken er al te zijn en even later laat Lukas Paulus zeggen: ‘Zorg goed voor uzelf en voor heel de kudde waarover de heilige Geest u als leiders (episkopoi, opziener) heeft aangesteld om de kerk van Godxiv te weiden’ (20:28). Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat in iedere huisgemeente de huisvader of huiseigenaar de gastheer of gastvrouw van de gemeente is (opziener genoemd?) en verantwoordelijk is voor gemeente aan huis.xv Gezamenlijk worden ze de ‘oudsten’ van de stadsgemeente Efeze genoemd, omdat ze leiding geven aan de diverse huisgemeenten waaruit de kerk te Efeze bestond. Meer over de situatie in Efeze in de brief aan Timotheüs.

Oudsten in de pastorale brieven (Kreta en Efeze)

Omdat de pastorale brieven om meerdere redenen een eenheid vormen, bespreken we de plaats van ‘oudsten’ in deze brieven samen. We beperken ons ook hier tot de vraagstelling, hoe de positie van de ‘oudste’ eruit ziet als we de teksten lezen tegen de achtergrond van de plaats van ‘oudsten’ in de joodse gemeenschap. De term ‘oudste’ (presbuteros) komt drie keer voor (1Tim.5:17,19 en Tit.1:5) en ‘oudstenraad’ (presbuterion) één keer (Tim.4:14).

We beginnen met de meest duidelijke plaats, namelijk Tit.1:5 waar Paulus tegen Titus zegt: ‘Ik heb je op Kreta achtergelaten om, volgens mijn richtlijnen, de resterende zaken te regelen en per stad (kata polin)xvi oudsten aan te stellen.’ Het ‘per stad’ geeft aan dat we in de pastorale brieven te maken hebben met de gemeente in de zin van stads- of streekgemeente (1Tim.3:5,15; 5:16).xvii Verner, die de sociale context in de pastorale brieven heeft onderzocht zegt dat het ‘per stad’ laat zien dat het de opvatting van de schrijver is dat de gemeenten in het begin werden bestuurd als “city-wide entities” terwijl de christenen in vele kleine huisgroepen samenkwamen.xviii We hebben hier een aanwijzing van het niveau waarop de oudsten werkzaam zijn.xix Het is niet aannemelijk dat er wel gemeenten waren, maar geen leiders.

Het is wel begrijpelijk wanneer hier het leiderschap op stadsniveau (kata polin) wordt geregeld. Deze leiders zullen voortaan de verantwoordelijkheid dragen die voorheen door de apostel en zijn medewerkers werd genomen.

Het ‘aanstellen’ betekent niet automatisch dat er geen sprake is van deelname van de gemeente aan het selectieprocesxx; het betekent ook niet automatisch dat hier mannen worden aangesteld tot de ‘functie’ of het ‘ambt’ van oudste. Wanneer we deze verzen tegen de achtergrond van de positie van de ‘oudste’ in de joodse gemeenschap lezen, moeten we met Schlatter stellen dat de functie niet begint bij de titel ‘oudste’ maar bij ‘opziener’ (episkopos) in vers 7.xxi De door Titus benoemde oudsten krijgen nu de titel ‘opziener’, omdat ze nu niet alleen meer gezag hebben vanwege hun leeftijd, maar een functie hebben gekregen en de daarbij horende arbeid doen.xxii Ongetwijfeld, zo stelt Schlatter, werden tegelijkertijd andere ‘oudsten’ tot diakenen benoemd. Ook Jeremias leest de teksten op deze wijze en voegt toe dat het begrijpelijk is dat het kiezen van leiders uit de groep van de ‘ouden’ niet aan de gemeenten zelf wordt overgelaten, omdat hier sprake is van jonge zendingsgemeenten.xxiii

De andere tekstplaats waar ‘oudsten’ ter sprake komen is 1Tim.5:17 en 19.

Oudsten die goed leiding geven moeten dubbel worden beloond, vooral degenen die zich veel moeite geven voor de prediking en het onderricht (vs 17)

Jeremias heeft consequent de joodse context van de presbyter verdisconteerd in zijn uitleg van de ‘oudste’ in de pastorale brieven. Een ‘oudste’ is hier geen ambt of functie. Er zijn in de pastorale brieven maar twee functies: de opziener (eiskopos) en de dienaar (diakonos). De ‘oudsten’ zijn evenals in de joodse gemeenschap zeer gerespecteerde oudere leden van de christelijke gemeenschap, uit wie de opzieners doorgaans voortkomen.xxiv Alleen dan wordt volgens Jeremias de “dubbele beloning” begrijpelijk. Zij zijn niet alleen ‘gerespecteerde oudere leden’, maar hebben ook een functie aanvaardt, namelijk van opziener.xxv-xxvi

De afwezigheid van de term ‘oudsten’ in de passages die handelen over de kwalificatie van leiders (episkopoi, 1Tim.3 en Tit.1) is hiermee ook verklaard, omdat de enige functies episkopoi en diakonoi zijn.xxvii

Concluderend kunnen we met Brown stellen dat duidelijk is dat in de pastorale brieven de bestuurlijke oudsten leiding geven aan de hele christelijke gemeenschap in een stad of streek, die bestaat uit meerdere huiskerken.xxviii Het is m.i. dan ook waarschijnlijk dat de ‘opzieners’ op stadsniveau werden gekozen uit de kring van oudsten die al als verantwoordelijk opziener functioneerden in een huisgemeente.

xiii Zo bijvoorbeeld ook Campbell, Elders, 167-170

xiv ‘Kerk van God’ is typisch Paulinisch taalgebruik; 6x in de brieven aan de Korintiërs en 1x in de Galatenbrief. Ook bij Paulus is de ‘gemeente Gods’ de gemeente in een bepaalde stad of streek.

xv Campbell, Elders, 172

xvi Wanneer een persoon of zaak in de vierde naamval bij kata genoemd wordt (zoals hier het geval is), is er in het algemeen een globaal of totaal contact met die persoon of zaak. (Bauer, s.v. kata II, c/d; Liddell-Scott-Jones, Greek-English Lexicon, s.v. kata B.II. In dit verband kunnen we kata o.a. vertalen met 'verspreid over' of 'overal in' (bv. Luc. 8:39: een hongersnood komt 'over' het land, of in Hand. 22:19: Paulus vervolgt de gelovigen 'overal in' de synagogen). Soms is er bij kata gevolgd door een vierde naamval ook een gedachte aan herhaling op verschillende plaatsen of tijden. In dat geval komt de betekenis dicht bij het Nederlandse 'per'.

xvii Meerdere commentaren gaan geheel voorbij aan een bespreking van het kata polin. Zo bv. Mounce, W. D., Pastoral Epistles (WBC Vol. 46, Dallas: Word, 2002) 387. Het geeft m.i. aan hoe vanzelfsprekend men het Nieuwe Testament vanuit de eigen context leest in plaats vanuit die van de eerste eeuw.

xviii D.C. Verner, The Household of God. The Social world of the Pastoral Epistles (Chico: Scholars Press, 1983) 154.

xix Ook het woordgebruik ‘huis Gods’ (1Tim.3:15 of ‘het grote huis’ (2Tim.2:20) geeft aan dat de hele stadsgemeente bedoeld is. Daarnaast kunnen de woorden ‘op elke plaats’ in ‘Ik wil dan, dat de mannen op iedere plaats bidden met opheffing van heilige handen, zonder toorn en twist’ (1Tim.2:8) volgens Verner aangeven dat de auteur een situatie in Efeze beschrijft dat men in kleinere huisgroepen op een aantal verschillende locaties samenkomt. Tot lang na het schrijven van de pastorale brieven (ook bij de laatste datering) was dit namelijk de gewoonte. Omdat de context de aanbidding in de gemeente is, moet ‘elke plaats’ betekenen, elke plaats waar de gemeente samenkomt voor gebed. Verner, Household, 167.

xx Zie Hand 6:3, waar de apostelen leiders ‘aanstellen’ die door de gemeente gekozen zijn. Verner, Household, 153-154.

xxi A. Schlatter, Die Briefe an die Thessalonicher, Philiper, Timotheus und Titus (Schlatters Erläuterungen zum Neuen Testament 8. Zeil, Stuttgart, 1950) 245-246.

xxii Tegen deze interpretatie wordt wel ingebracht dat de absolute betekenis van kata-stēsēis, zoals in het Nederlandse ‘bevestigen’, pas later voorkomt (1Clem.43:1 en 44:2, vgl 42:4 waar de dienst genoemd wordt). Het komt niet absoluut gebruikt wel regelmatig voor in deze betekenis. Met een genitief of met epi om de functie aan te geven, bv Mat. 24:45 ‘aanstellen over (epi) zijn dienstvolk’ of Hand.6:3 aanstellen over/voor (epi) deze behoefte (taak). Ook wel met een accusatief waarmee de drager van de functie wordt aangegeven: 1Macc.3:55 Judas stelde leiders over het volk aan (katéstēsen hēgouménous) of Luk.12:14 ‘Wie heeft mij aangesteld als rechter?’ (tís me katéstēsen kritēn). Dit bezwaar lijkt ons minimaal; temeer daar de dateringen van Titus en Clemens niet zeker zijn.

xxiii J. Jeremias, Die Briefe an Timotheus und Titus (NTD 9, Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 1963), 61-62

xxiv J. Jeremias, Die Briefe an Timotheus und Titus, 36.

xxv De ‘dubbele eer’ voor deze oudsten die de taak van opziener aanvaarden, is volgens Jeremias tweemaal (in ieder geval ruimschoots ruimer dan) de support aan ouden en weduwen (1Tim.5:16). Jeremias, a.w., 36.

xxvi Ook de beloning van een ‘bestuurder’ geeft volgens Campbell aan dat het hier over een verantwoordelijkheid op stadsniveau gaat. Het is zeer twijfelachtig of de opziener van een huisgemeente financieel gesteund werd. Dat waren doorgaans rijke broeders die hun huis ter beschikking stelden en de gemeente juist onderhielden, niet omgekeerd. Op stadsniveau nam deze functie zoveel tijd in beslag dat er over ondersteuning gesproken moest worden. Campbell, Elders, 199

xxvii Opmerkelijk is dat de twee genoemde functies precies die zijn die ook in Filip.1:1 worden genoemd., als ook in Did.15:1-2 en 1Clem.42:4.

xxviii R.E. Brown, Introduction to the New Testament (New York: Doubleday, 1997) 645.


dinsdag, februari 24, 2009

Waaruit bestond het leiderschap van ‘oudsten’ in de NT gemeente?

Onderstaand artikel is de eerste uit een reeks geschreven door drs. Gijs van den Brink.

In de meeste studies waar de ‘oudsten’ in het Nieuwe Testament ter sprake komen vindt men op een of andere wijze het concept terug dat in 1953 door Hans von Campenhausen werd gelanceerdi. Hij plaatst een paulinisch christendom tegenover een joods christendom. Het eerste is charismatisch waarbij elk lid door de Geest wordt gebruikt, het tweede is strak geregeld onder een joodse oudstenraad. In de pastorale brieven wordt volgens Von Campenhausen het joodse model ingevoerd in de Paulinische gemeenten. Hij stelt dat de toename van het institutionele karakter (ofwel het ambt) samen op gaat met een afname van geestelijke dynamiek ofwel het charismatische. Hoe breed deze gedachte is geaccepteerd blijkt bijvoorbeeld uit het gegeven dat James D.G. Dunn deze theorie overneemt en introduceert in de Angelsaksische theologieii. Dit gedachtegoed gaat ervan uit dat er vrij vroeg (al in het Nieuwe Testament, eerste eeuw) sprake is geweest van een plaatselijke christelijke gemeente in de zin van een gemeente die op één plaats samenkomt en die geleid wordt door oudsten die voor dit ambt aangesteld zijn. Dit oudstenmodel zou overgenomen zijn van de synagoge.

Wetenschappelijke consensus

Parallel aan de idee van dit nieuwtestamentisch gemeenteconcept ontwikkelen zich twee andere lijnen, die m.i. de zwakte van het concept van Von Campenhausen en Dunn aangeven. Er is namelijk in dit model zondermeer vanuit gegaan dat de oudsten in de synagoge een functie/ambt bekleedden. Dit blijkt niet zo te zijn. E. Schürer meldt al in zijn vijfdelige geschiedenis van het Joodse volkiii dat de synagoge onder toezicht stond van de oudsten in de joodse gemeenschap, maar dat de synagoge wat betreft het dagelijks bestuur werd geleid door de archisunagōgos (het hoofd, verantwoordelijk voor de orde van dienst) en de hupēretēs (dienaar, helper, assistent, die o.a. voor de ruimte zorgde en de kinderen onderwees). Er is al een halve eeuw een consensus onder wetenschappers, zoals verwoord door M.H. Shepherd in de breed geaccepteerde Interpreter’s Dictionary of the Bible: “Jewish elders were not responsible for worship in the synagogue, though they enjoyed seats of honour at the synagogue assemblies. Doubtless the synagogue rulers were frequently elected from among their number”.iv De ‘oudsten’ waren door de gemeenschap gerespecteerde, meestal oudere wijze mannen (uit gerespecteerde families) die verantwoordelijk waren voor het reilen en zeilen van de gemeenschap (en dus ook, maar zeker niet alleen, van de synagoge).v

Drie vormen van ekklēsia

Verder is er ook al een halve eeuw een consensus over het gegeven dat het begrip ekklēsia (kerk, gemeente) in het Nieuwe Testament niet twee, maar drie gestalten kent. Het woord wordt gebruikt in de volgende drie betekenissenvi:

1. In aansluiting bij het oudtestamentische woordgebruik wordt ekklēsia het woord voor de nieuwtestamentische gemeente, de ‘universele gemeente’ waartoe alle christenen behoren.

2. De ‘plaatselijke gemeente’ van alle christenen in een bepaalde plaats of streek. In het begin was er natuurlijk geen onderscheid tussen de universele gemeente en de stadsgemeente te Jeruzalem (bv. Hand.5:11: ‘de gehele gemeente’), maar spoedig lezen we over ‘de gemeente van Jeruzalem’ met name (Hand.11:22), en ‘de gemeente door geheel Judea, Galilea en Samaria’ (Hand.9:31) als samenvatting voor de stads- of streekgemeente in dat gebied.

3. Ten derde is er sprake van een ‘gemeente aan huis’ (Rom.16:5 te Rome, en 1Kor.16:19 te Efeze, beide ten huize van Aquila en Priscilla, maar op verschillende tijdstippen; Kol.4:15 te Laodicea bij Nymfas of Nymfa; en Filem.2 te Kolosse bij Filemon). Van deze ‘gemeenten die op één plaats samenkomen’ waren er blijkbaar meer in één stad, zoals uit Rom.16:5 op te maken is (vgl. ook Hand.2:41-47, waar de minstens 3000 gelovigen te Jeruzalem kennelijk in vele kleine huisgemeenten samenkwamen).

Dit onderscheid heeft in de jaren 80 en 90 geleid tot het verschijnen van de nodige studies over de derde gestalte, de huisgemeente in de vroege kerk. We hebben daar in 1998 in Soteria aandacht aan besteed.vii

Vraagstelling

Mijn insteek in dit artikel is om tegen de achtergrond van de plaats van ‘oudsten’ in de joodse gemeenschap/synagoge en van de drievoudige betekenis van ekklēsia de teksten over ‘oudsten’ (presbuteros) in het Nieuwe Testament nog eens te herlezen.

De oudsten hadden geen functie (of ambt) in de synagoge en evenmin in de joodse gemeenschap. Ze waren echter wel de uiteindelijk verantwoordelijken. Het was een collectief van oude wijze mannen die de gemeenschap naar buiten toe vertegenwoordigde. Omdat het begrip ‘oudste’ in het Nieuwe Testament nergens wordt uitgelegd, nemen we (met de overgrote meerderheid van onderzoekers) aan dat de synagoge model stond voor het accepteren van de term ‘oudsten’ in de christelijke gemeente. Vervolgens is dan een belangrijke vraag of het joodse functioneren van ‘oudsten’ ook herkenbaar is in het Nieuwe Testament? En welke consequenties heeft dit voor de visie op het leiderschap binnen de christelijke gemeente? Verder is een belangrijke vraag in welke vorm van ekklēsia er sprake is van oudsten, in de eerste en/of de tweede en/of de derde?

Woordgebruik

Het bijvoeglijk naamwoord presbuteros betekent (1) ‘ouder, eerbiedwaardiger’, en zelfstandig gebruikt (2) ‘voorouder, voorvader’, en (3) ‘oudste’. Het woord wordt in het Nieuwe Testament breed gebruikt. Het wordt in eigenlijke zin gebruikt met betrekking tot de leeftijd die iemand in vergelijking met anderen bereikt heeft. Zo betreft het in Luc.15:25 bijvoorbeeld de ‘oudere’ van twee zoons. Het kan ook als zelfstandig naamwoord functioneren, bijvoorbeeld de ‘ouderen’ in het algemeen in tegenstelling tot de ‘jongeren’ (Hand.2:17) of de ‘oudere (man)’ en ‘de oudere (vrouwen)’ in tegenstelling tot de jongere mannen en vrouwen (1Tim.5:1,2). Ten tweede wordt het gebruikt voor de ‘ouderen’ in vergelijking met de nu levenden, dat wil zeggen de voorouders of voorvaderen. Zo lezen we in de introductie van het hoofdstuk over de geloofsgetuigen in Hebr.11:2 dat ‘door dit (geloof) de ouderen (d.w.z. de ‘vaderen’ uit 1:1, de voorvaderen) een getuigenis hebben gekregen’. Ook in de zinsnede ‘de overlevering der ouderen’ (Matt.15:2; Marc.7:3,5) zullen we het woord in de zin van voorvaderen moeten verstaan.

Ten derde betekent het, in het verlengde van de eerste betekenis, ‘oudste’ als titel voor iemand die een speciale verantwoordelijkheid draagt voor de joodse of christelijke gemeenschap. In de joodse gemeenschap kan het een oudste van een plaatselijke gemeenschap betreffen (bv. Luc.7:3), maar ook een lid van een van de drie groepen waaruit de Hoge Raad in Jeruzalem bestond (bv. Marc.11:27; Luc.20:1).

Wij zullen ons verder in dit artikel beperken tot het gebruik van het woord in de derde betekenis en dan alleen voor zover het de christelijke gemeenschap betreft.

i H. von Campenhausen, Kirchliches Amt und geistliche Volmacht in den ersten Jahrdreihunderten, Tübingen 1953 (19632).

ii J.D.G. Dunn, Unity and Diversity (London: SCM Press, 1977, 19902), 114-118.

iii E. Schürer, Geschichte des jüdischen Volkes im Zeitalter Jesu Christi, 1886-1890; herziene Eng. vertaling: A History of the Jewish People in the Time of Jesus Christ, ed. G. Vermes, F. Millar, M. Black (Edinburgh: T&T Clark, 1973-87) vol. II, 197.

iv M.H. Shepherd, ‘Elders in the Nieuwe Testament’, IDB II (1962) 73.

v R.A. Campbell, The Elders. Seniority within Earliest Christianity (Edinburgh: T&T Clark, 1994) 54.

vi In 1966 heeft Herman Ridderbos hier al op gewezen. H. Ridderbos, Paulus, Ontwerp van zijn theologie, (Kampen, 1966, 19785 ) 365.

vii G. van den Brink, 'De "Gemeente aan huis" in het Nieuwe Testament', Soteria 15,3 (1998) 2-7.

Wordt vervolgd...

zondag, februari 22, 2009

Angaria wetgeving

In het Nieuwe Testament komen we een drietal teksten tegen die wijzen op de Angaria wetgeving.

Het Griekse woord ἀγγαρεύω aggareuō, "(tot transport of iets dergelijks) verplichten, pressen", komt van een Perzisch leenwoord "koerier". Volgens Romeinse wetgeving (Angaria) mocht iedereen door een hoge Romeinse functionaris of militair gedwongen worden om materiaal een Rom. mijl ver te vervoeren. Deze wetgeving was overgenomen van de Perzische waar een koerier alles ter beschikking moest worden gesteld om zijn boodschap te kunnen vervoeren.Volgens Xenophon werd deze maatregel ingesteld door Cyrus, waarbij in de eerste instantie men moet denken aan het ter beschikking stellen van paarden. Later werd deze maatregel (en zeker onder de Romeinen) uitgebreid, tot verplichte diensten van personen. Zo zien we bij de kruisiging van Christus dat Simon van Cyrene gedwongen werd het kruis van Christus te dragen (Mat 27:32 en Mark 15:21). Dat deze opgelegde verplichting van de Romeinen voor veel Joden een vernedering was blijkt uit een ander Bijbelgedeelte waar Christus zegt En zo wie u zal dwingen een mijl te gaan, gaat met hem twee [mijlen] (Mat 5:41).

zaterdag, februari 21, 2009

Bevelen of voeden Gen 41:40

U vertrouw ik het bestuur van mijn paleis toe, en heel mijn volk zal doen wat u beveelt. Alleen door de troon zal ik boven u staan.’
Gen 41:40, NBV

Gij zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk [de hand] kussen; alleen dezen troon zal ik groter zijn dan gij.
Gen 41:40, SV

Gij zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal mijn gehele volk zich voeden; alleen door de troon zal ik boven u staan.
Gen 41:40, NBG

Drie vertalingen van dezelfde tekst, met alle drie geven ze een andere wending aan het Hebreeuwse woord נשק, letterlijk heeft het de betekenis van "kussen", het is dus niet verwonderlijk dat de Statenvertalers dit dan ook weergeven, maar dat ook zij met een probleem zaten blijkt uit hun kanttekening "Tot een teken van eerbied en gehoorzaamheid. Het was in dien
tijd, als ook nog hedendaags, gebruikelijk, dat de onderdanen de hand aan den mond brachten, of kusten, wanneer enige grote heren hen aanspraken, of hun iets belastten". Hierbij geven ze al aan dat Jozef hun mocht "bevelen" (belastten), een idee dat over genomen is door de Nieuwe vertaling. De vraag is hoe komen de vertalers van de NBG op het idee dat het om "voeden" zou gaan. We kunnen natuurlijk naar de context kijken, waaruit blijkt dat Jozef de grote Egyptische voorraadkamers gaat beheren, maar dat lijkt toch vergezocht.

Enige tijd geleden ben ik maar weer eens begonnen met het ophalen van mijn Egyptisch en ontdekte dat zij hetzelfde woord śn voor "kussen" als voor "eten" gebruikten. Zo betekent in het Egyptisch śn ḥm.t "een vrouw kussen" (Schiffb. 133) en "hij zal śn-eten (kussen) geen pȝḳ-cake (Pyr. 1027 ). Nu we deze overeenkomst weten, is het duidelijk dat Jozef als opperbevelhebber van de voorraadkamers het volk eten kon geven. Vanuit dit oogpunt is het dan ook grappig dat de schrijver van het boek Genesis het Egyptische woordgebruik heeft overgenomen en daar "kussen" heeft neergezet.

vrijdag, februari 20, 2009

Christipedia.nl

Sinds kort is er een nieuw initiatief: Christipedia.nl een website waar allerlei artikelen staan over de Bijbel, het Christendom en aanverwante zaken. De oprichters van Christipedia.nl zien hun site als een bijbelgetrouwe internet-encyclopedie voor christenen, met nadruk op onderwerpen die voor christenen interessant zijn of hen aangaan.

Ondanks dat ze nog maar pas zijn begonnen, staan er al een aantal interessante artikelen. De moeite waard voor een bezoek.

De Lunisolaire kalender

Als vervolg op mijn vorige artikel over de maankalender, gaan we vandaag verder hoe deze zich verder ontwikkelde tot de lunisolaire kalender.

Lunisolaire kalender

Een maankalender loopt ieder jaar ongeveer 11 dagen achter op een zonnejaar (29,5 x 12 = 354 dagen), een reden waarom de meeste maankalenders werden uitgebreid tot een Lunisolaire kalender, soms ook wel een gebonden maankalender genoemd. De eerder genoemde Babylonische en Hebreeuwse kalender zijn voorbeelden hiervan. De Grieken losten dit probleem op door iedere 8 jaar driemaal een schrikkelmaand van 30 dagen in te lassen. De Babyloniërs hadden ontdekt dat 19 zonnejaren precies 235 maanmaanden bevatten, dit wordt de cyclus van Meton genoemd, naar de Griekse astronoom Meton (5de eeuw v.C.) die dit ook had ontdekt, maar geen steun kreeg van de Griekse machthebbers waardoor zijn kalender nooit is ingevoerd. Bij de Babyloniërs werd deze echter wel ingevoerd, in de jaren 3, 5, 8, 11, 13, 16 en 19 van deze cyclus lasten zij een schrikkelmaand in, na of de zesde maand, die ze Ululu II noemden en 29 dagen duurde, of na de twaalfde maand, die zij Addaru II noemden en 30 dagen duurde. Deze Babylonische kalender is praktisch onveranderd overgenomen door de Joodse kalender welke ook heden ten dage nog wordt gebruikt. Het is deze kalender die aan de basis ligt voor de berekening van Pasen en Pesach.


Christenvervolging

Een overzicht van de belangrijkste (kranten)koppen van de afgelopen dagen die met christenvervolging te maken hebben.


Bibliobloggers on the move

De afgelopen dagen gebeuren er gekke dingen in het Biblioblogdom. N.T. Wrong is gestopt met zijn top 50, maar duikt onder een andere naam de Biblical Floccinaucinihilipilification Society. Doug’s ‘Met A Catholic‘ blog is ook op zijn einde, maar herleeft onder de onmogelijke naam blogito ergo sim.

Soortgelijke acties hebben we ook bij Jim West meegemaakt, maar die heeft nu DE oplossing gevonden door (bijna) iedere dag een nieuwe naam en layout voor zijn blog te verzinnen, onder het mom van I’m Not Compulsive, But I am Obsessive.

Daarnaast zijn er natuurlijk ook nog anderen die in een lichtere mate meedoen zoals die zijn website NT Gateway geheel opnieuw heeft opgezet en zijn blog Mark Goodacre's NT Blog ook maar meteen een andere url heeft gegeven.

donderdag, februari 19, 2009

De maankalender

Er zijn in de loop der eeuwen verschillende kalendersystemen ontwikkeld, verschillende hebben (in)direct te maken met de Bijbel. Zo zijn er de komende maanden een aantal Joodse/Christelijke feesten zoals Purim, Pesach en Pasen die gebaseerd zijn op een afwijkende kalender dan de onze. Om die reden wil ik iets dieper op deze materie ingaan.

Maankalender

Een maankalender gaat uit van 12 synodische maanden (de tijd die verstrijkt tussen 2 nieuwe manen), iedere synodische maand duurt bij benadering 29,530588 kalenderdagen (29 dagen, 12 uren, 44 minuten en 2,8 seconden) Omdat bij deze kalender de maand bij het begin van een nieuwe maan laat beginnen en men vroeger afhankelijk was van de obeservatie had men het probleem dat op een zonsverduistering na, men pas na ongeveer 2 dagen de eerste maansikkel kon zien. Omdat een maanmaand iets meer is dan 29,5 dag voerde men afwisselend maanden in die 29 en 30 dagen duurde. Door deze invoering ontstaat nog een probleem, doordat een maanmaand bijna 3 kwartier langer duurt is na 34 maanmaanden (~3 jaar) de maansikkel één dag eerder te zien. Om toch in de pas te lopen voerde men schrikkeldagen in. Binnen de verschillende kalendersystemen zijn deze schrikkeldagen op verschillende manieren ingevuld. Hoe de Joden omgingen met deze schrikkeldagen tot en met de ballingschap is niet bekend, hierna zijn ze overgestapt op de Lunisolaire kalender.

In de Bijbel komen we verschillende kalenders tegen die van oorsprong gebaseerd zijn op Maan, waaronder de Babylonische en de Hebreeuwse kalender. Er zijn dan ook vele verwijzingen waar wordt gewezen op het observeren van de nieuwe maan (Jes 47:13), en het houden van een feest (Ps 81:4; Eze 46:3; Col 2:16). Bekend is de geschiedenis van David, die verwacht werd bij de feestmaaltijd van Saul (1 Sam 20) en expliciet tweemaal tegen Jonathan zegt dat het "morgen nieuwe maan" is. Interessant is dat in deze maaltijd duurt tot "de tweede dag der nieuwe maan", eerder kon men met het blote oog niet de maansikkel zien en had David als excuus dat hij nog te laat kon komen.


woensdag, februari 18, 2009

Lutherse Bijbelvertaling (1648) online

De Lutherse Bijbelvertaling van 1648 is sinds vandaag voor iedereen op het internet beschikbaar. Het is de vierde complete oude Bijbelvertaling die in het kader van het Bijbeldigitaliseringsproject op internet te lezen is. De anderen zijn:
  • Delftse bijbel (1477)
  • Leuvense bijbel (1548)
  • Statenvertaling (1637)
  • Mortierbijbel (1700; selectie)

de "macht" van Wikepedia

Je kunt er tegenwoordig niet meer omheen, Wikipedia. Sommigen vinden het een verschrikking, omdat de inhoud van de artikelen niet te controleren zijn op betrouwbaarheid. Anderen zien het als een startpunt voor verder onderzoek of om snel iets op te zoeken.

Er is inderdaad iets te zeggen voor het eerste standpunt, soms worden artikelen, ooit opgezet door mensen die gespecialiseerd zijn in zo'n onderwerp, letterlijk verkracht door goed bedoelde "niets-wetenden", of nog erger wordt door deze "niets-wetenden" een artikel gemaakt over een onderwerp waar zij niets van afweten. Zo zag ik, enige tijd geleden, dat ze (waarschijnlijk omdat ze het woord plagiaat niet kenden) bij het artikel Alruin een groot gedeelte van mijn artikel hadden overgenomen, gelukkig hebben ze dit gecorrigeerd, echter feit is wel dat nu in het artikel grove fouten staan.

De laatste tijd is er een nieuwe trend, sommige van deze "niets-wetenden" vinden dat sommige van de artikelen niet geschikt zijn omdat ze, vaak om onduidelijke redenen, "niet binnen de Wikipedia-encyclopedie past". Zo kwam ik een tijd geleden de website "Recensieweb" tegen, boordevol boekbesprekingen, om wat achtergrond informatie over dit instituut te krijgen zocht ik op Wikipedia en zag dat het artikel op de nominatie stond om verwijderd te worden, omdat het "geen enkele encyclopedische relevantie" zou hebben en het "expliciete reclame" zou zijn. Grote onzin natuurlijk, want het artikel gaf nou juist die achtergrondinformatie die je over zo'n instituut zou willen hebben. Als een artikel al voor verwijdering in aanmerking zou komen dan is het wel het artikel over de Alruin, vanwege zijn misleidende informatie.

Mijn persoonlijke mening is dan ook, wil Wikipedia nog een toekomst hebben, dan zal er veel moeten gebeuren. Controle op de deskundigheid van de mensen die dit soort beslissingen maken is er een van; een tweede is dat duidelijk wordt wie een artikel heeft geschreven en wat zijn expertise in een vakgebied is. Tot slot zouden alleen deskundigen een bijdrage mogen leveren in hun vakgebied, alleen dan zouden uitwassen als hierboven beschreven Wikipedia misschien nog kunnen redden.

maandag, februari 16, 2009

Heliodoros Stele ontdekt

Een Griekse inscriptie - de Heliodoros stele - bestaande uit 23 regels uit de periode van de Makkabeeën werd enige jaren geleden tentoongesteld. Nu zijn een aantal andere delen van de stele gevonden. De Israëlische krant Haaretz meld:

Three fragments of a Greek inscription, believed to be part of the "Heliodoros stele" were recently found at an Israel Antiquities Authority excavation at the National Park of Beit Guvrin.

The Heliodoros stele, dating back to 178 B.C.E. and consisting of 23 lines inscribed in limestone, is considered one of the most important ancient inscriptions found in Israel.

Dr. Dov Gera, who studied the inscriptions, determined that the fragments were actually the lower portion of "The Heliodoros stele". This discovery confirmed the assumption that the stele originally stood in one of the temples located where Maresha-Beit Guvrin National Park stands today.

The new fragments were discovered in a subterranean complex by participants in the Archaeological Seminars Institute's "Dig for a Day" program.

As published by Professors Cotton and Wörrle in 2007, this royal stone stele bears a proclamation by the Seleucid king, Seleucus IV (father of Antiochus IV). The contents of the stele shed light on the Seleucid government's involvement in local temples, mentioning an individual named Olympiodoros, the appointed "overseer" of the temples in Coele Syria - Phoenicia, including Judea.

The order of the king was sent to Heliodorus, who was probably the same person mentioned in the book of II Maccabees. According to the story in Maccabees, Heliodorus, as the representative of King Seleucus IV, tried to steal money from the Temple in Jerusalem but instead was severely beaten as a result of divine intervention.

De rest van het verhaal is hier te vinden. Hieronder een foto van de stele:


Veluwse olijfboomgaard

Een paar maanden geleden vertelde ik al over de plannen van een heuse olijfboomgaard op de Veluwse grond. De bomen hebben hun eerste winter doorgemaakt en binnenkort vindt de officiële opening plaats:
Zaterdag 4 April om 10:00 word Nederlands eerste Olijfgaard geopend, deze handeling zal door Burgemeester C van der Knaap [gemeente Ede] worden verricht. Vervolgens zal er een grote boerenmarkt zijn, iedere bezoeker die een fles wijn e.o. een Veluwse wijnroute bij de kraam van Wijnhoeve DE VELUWE koopt zal een envelop met daarin een nummer ontvangen, om 16:00 vind er een verloting plaats en de 4 winnaars gaan om 17:00 de lucht in met een luchtballon.

zondag, februari 15, 2009

Citaat

Een theologie die zich ten doel stelt om in harmonie te blijven met de ontwikkelingen binnen de natuurwetenschappen, de filosofie en wetenschap in het algemeen, die zich alle drie met wisselend succes steeds verder ontwikkelen, moet wel een wassen neus zijn die alle kanten op kan draaien, net zoals het uitkomt. Als men daarom de vraag stelt hoe de relatie gezien moet worden tussen de fundamentele theologie van de kerk en de literaire, wetenschappelijke en filosofische zekerheden van onze tijd, dan kan het antwoord zeker niet zijn dat de theologie daaraan moet worden onderworpen, alsof de theologie bevend iedere nieuwe verandering in de koers van de wetenschap zou moeten volgen. Die wetenschap gaat immers zelf al zoekend haar weg, speurend naar zekerheden, niet 'van onze tijd', maar van alle tijden.

Benjamin B. Warfield (1851-1921)

zaterdag, februari 14, 2009

De vraag van Knevel

Na de vele ophef rondom de beruchte uitzending waarin Knevel zijn twijfel uitsprak over de schepping, daagt Knevel nu de creationisten uit om met bewijzen te komen: "Ik daag ze uit: geef mij de data, geef mij jullie visie. Ik constateer dat de papieren van creationisten zwak zijn". Ik zou zeggen kom maar op Knevel, kom met je constateringen dat deze papieren inderdaad zwak zijn, geef me minstens één "missing link" die, als we de micro-evolutie uitsluiten, nog steeds niet is gevonden. Geef aan waar je was, toen God het heelal en de aarde evolueerde (Job 38:4).

Of kijk eens naar de serie artikelen op mijn blog "Schepping en Vertaling" (1, 2, 3 en 4) en geef aan waarom deze uitleg qua Hebreeuws incorrect is. Of kom eens met bewijzen dat onderstaande foto een falsificatie is (uiteindelijk het naderhand vernietigen van deze afdrukken door evolutionisten, is op zijn minst een teken aan de wand) en mocht je niet weten wat het is, het zou gaan om een menselijke voetafdruk in die van een dinosaurus.

Het moge duidelijk zijn dat bovenstaande foto, zowel geen bewijs is voor schepping als voor evolutie, het geeft alleen aan dat er heel veel vragen zijn en tot nu toe slechts heel weinig antwoorden. Het grootste probleem waarmee de wetenschap behept is, is dat er te veel aandacht wordt besteed aan fictie en te weinig aan echte wetenschap.

vrijdag, februari 13, 2009

Citaat

Waar was jij toen Ik de aarde grondvestte?
Vertel het me, als je zoveel weet.

Christenvervolging

Een overzicht van de belangrijkste (kranten)koppen van de afgelopen dagen die met christenvervolging te maken hebben.

donderdag, februari 12, 2009

De Lotusboom

Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks. De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.

Job 40: 16-17

In deze passage van Job wordt beschreven dat de בהמות Behemoth, letterlijk “Groot Beest”, zich schuilhoudt tussen het riet, wilgen en schaduwachtige bomen (צֶאֱלִ֣ים tse'elym), in nieuwere vertalingen ook wel Lotusbomen genoemd. Uit deze beschrijving blijkt dat het om een boom gaat die aan de kant van het water groeit en behoorlijk groot moet zijn. Afhankelijk van de determinatie van Behemoth, welke volgens sommigen een Nijlpaard is en volgens anderen zelfs een Dinosauriër, moet de boom relatief hoog zijn, dat hij eronder kan schuilen.

Zoals zoveel bomen en planten is de botanische naam van deze plant niet met zekerheid te determineren. Verschillende oude vertalingen geven schaduwachtige (tse'el) bomen ('ets). Het meest waarschijnlijke is dat het gaat om de Lotusboom (Zizyphus lotus). Overigens wordt in het modern Hebreeuws met tse'elym de Flamboyant (Delonix regia) bedoeld, welke vanaf de 19de eeuw wereldwijd in (sub)tropische gebieden als sierboom wordt aangeplant.

De Lotusboom is van het geslacht Ziziphus, van de familie Wegedoornfamilie (Rhamnaceae). De struik kan een hoogte bereiken van 2 tot 5 meter. Heeft glanzende groene lange bladeren met een lengte van ongeveer 5 cm. Het eetbare fruit zijn ronde donkere gele steenvruchten 1-1.5 cm diameter en staan bekend onder de naam nabk.

Deze boom is bekend in de Griekse mythologie, zo wordt in de Odyssee van Homerus1 beschreven dat “al wie van hen de honingzoete vrucht van de lotos at, had geen lust meer verslag uit te brengen en wilde niet terug, nee, liever wilden zij blijven bij de Lotofagen en door te eten van de Lotos afzien van de terugkeer.” Herodotos2 geeft eveneens een beschrijving van deze plant “De vrucht van de lotos is ongeveer zo groot als die van de mastix en in zoetheid te vergelijken met die van de dadelpalm. Ook maken de Lootophagen wel wijn uit deze vrucht.” Uit de verschillende beschrijvingen zou door het eten van de vrucht het geheugen worden verloren, zoals beschreven in het gedicht van Ida Gerhardt:3

Zo mij werd toegestaan een wens te wagen :
mochten de snoeren in mijn late dagen
mij vallen in het land der Lotophagen.
Alles vergeet die van de lotos eet :
zijn herkomst zelfs en hoe de liefste heet.

Voorgoed te toeven bij de Lotophagen,
zalig en van mijzelve zonder weet,
- alles vergeet die van de lotos eet -
om lachende mijn lasten af te staan.
Ik liep langs zee en zag de wolken gaan.

1 Homerus, Odyssee, IX.87-104

2 Herodotos, Historiën, IV.177; Dr. Onno Damsté geeft als voetnoot “Bedoeld wordt de Zizyphus Spina-Christi, een jujubestruik, verwant aan de sleedorn. De vrucht wordt meestal droog gegeten.

3 Ida Gerhardt, De zomen van het licht, “Vergetelheid”, Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1983

woensdag, februari 11, 2009

Schepping en vertaling (slot)

Dit is het laatste deel van een serie artikelen over Genesis 1 door dr. P.A. Siebesma, hier kunt u het eerste, tweede en derde deel lezen.

4. Kan een dag ook een tijdperk zijn?

Er zijn in de loop van de tijd veel theorieën ontwikkeld die trachten het bijbelse scheppingsverhaal met de evolutieleer te harmoniseren. Sommigen baseren zich hierbij op de vertaling van het Hebreeuwse woord jom. Gewoonlijk wordt dit woord met "dag" vertaald, maar in Gen. 1 zou het dan met "tijdperk" vertaald moeten worden.
De zogenaamde concordistische opvatting (Day Age Theory) poneert dat de dagen van Genesis tijdperken van lange duur zijn geweest, die overeenkomen met de geologische tijdperken.
Een variant hierop is de zogenaamde interperiodistische opvatting (Pictorial Day Theory). Deze gaat er wel vanuit dat een jom een tijdvakken van vier en twintig uur is, maar de dagen van de schepping zijn echter niet aaneensluitend, maar van elkaar gescheiden door perioden van lange duur. De zes dagen van de schepping zijn niet de dagen van de scheppingsarbeid, maar van de scheppingsopenbaring.
Aan bovengenoemde theorieën verwant is de zogenaamde kaderopvatting (Framework Hypothesis). Volgens deze opvatting biedt Genesis 1 slechts een beschrijving van de scheppingswerken die volgens een bepaalde kunstmatige orde over zes dagen worden verdeeld. Of dit de juiste volgorde van de schepping is, is niet van belang. Evenmin is het van belang hoe lang de dagen van Gen. 1 hebben geduurd.

Omdat deze theorieën zijn gebaseerd op de vertaling van het woord jom, wil ik hieronder nagaan of dit vanuit taalkundig oogpunt wel mogelijk is. Kan het woord voor dag in Gen. 1 ook vertaald worden met "tijdperk". Gaat het hier om een dag, anders dan een dag van vierentwintig uur?

Één van de moderne verdedigers van de opvatting dat jom met tijdperk vertaald moet worden, is een bekende Amerikaanse evangelische oudtestamenticus, Gl.L. Archer in zijn inleiding op het Oude Testament. Volgens hem zijn er drie verschillende opvattingen mogelijk:

1) Het Hebreeuwse woord jom geeft een letterlijke dag van 24 uur aan: de schepping (of herschepping) heeft in zes dagen plaatsgevonden. Merkwaardigerwijs verbindt hij deze theorie aan de restitutietheorie, die hij overigens afwijst.

2) Het woord jom geeft een openbaringsdag weer. Mozes zou dan in een visioen, gedurende zes dagen hebben gezien hoe God de hemel en de aarde heeft geschapen. Zoals Archer zelf al opmerkt, is er weinig in de tekst van Genesis, dat hiervoor steun biedt.

3) Het woord jom betekent niet dag, maar tijdperk of stadium. De zes scheppingsdagen zijn dan ook scheppingstijdperken geweest.

Archer hangt de derde theorie aan. Het is volgens hem de enige opvatting die min of meer in harmonie is met hetgeen de geologie en evolutietheorie ons leert. Zijn bezwaren tegen de opvatting van jom als letterlijke dag zijn tweeledig:
In Gen. 2:4 staat letterlijk: "Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde in hun geschapen worden, op de dag (jom) dat zij gemaakt werden". Het woord jom slaat in dit vers op de hele schepping in zes dagen en niet op één dag.
Ten tweede staat er in Gen. 1:27 dat op de zesde dag man en vrouw werden geschapen. Uit Gen. 2 blijkt echter duidelijk dat tussen het scheppen van Adam en de schepping van Eva meer dan één dag moet zijn geweest. Immers hoe was het mogelijk dat binnen een dag of waarschijnlijk zelfs in enkele uren Adam niet alleen in staat was de hof van Eden te bewerken, maar ook alle dieren van een naam te voorzien en op te merken dat hij eenzaam was. Daarom moet de zesde dag, aldus Archer, wel langer hebben geduurd dan vier en twintig uur. Als dat zo is, kunnen de andere dagen ook wel langer dan vier en twintig uur hebben geduurd.
Heeft Archer hierin gelijk? Men behoeft hiervoor slechts de gezaghebbende woordenboeken van het Bijbels Hebreeuws te raadplegen. In één blik ziet men dat het woord jom, losstaand en niet verbonden met een voorzetsel, in alle gevallen "dag", in de gewone betekenis van het woord, betekent. Duidelijke teksten zijn onder andere Gen. 8:22 en 29:7, waar "dag" wordt gebruikt als tegenstelling tot "nacht". Wanneer jom echter met een voorzetsel, zoals bijvoorbeeld be (in, op) wordt verbonden, dan kan wel vertaald worden met "ten tijde van" of "toen" in plaats van "op de dag (dat)". Dit is echter een vaste uitdrukking, zoals we ook in het Nederlands kunnen zeggen "ten dage van" met de betekenis van "ten tijde van".
In Gen. 2:4 wordt jom gebruikt in samenstelling met be en mag om die reden vertaald worden met "toen". Deze tekst mag daarom niet gebruikt worden als bewijs voor een vertaling van jom als "tijdperk".
Dat het om letterlijke dagen gaat, blijkt wel uit de uitdrukking "en het was avond, en het was morgen...", en uit het feit dat op de derde dag zon, maan en sterren werden geschapen.
Hoelang zo'n dag precies heeft geduurd, valt natuurlijk niet meer na te gaan. Wij weten niet of de tijdsduur van de draaiing van de aarde ten tijde van de schepping verschilde van die heden ten dage. Maar daaruit mag niet de conclusie worden getrokken dat de duur van zo'n dag dan wel gelijk aan die van een tijdperk moet zijn geweest.
Daarom worden bovengenoemde theorieën, hoe aantrekkelijk het ook mag zijn om de zo de evolutieleer met het bijbelse scheppingsverhaal te verbinden, niet gesteund door onze kennis van het Hebreeuws.

dinsdag, februari 10, 2009

SGP'r 'herroept' uitspraken EO

SGP-fractievoorlichter Menno de Bruyne heeft op ludieke manier zijn uitspraken over de EO herroepen, naar aanleiding van EO-presentator Knevel die vorige week in de publiciteit kwam nadat hij op televisie een verklaring had ondertekend waarin hij eerdere uitspraken over de schepping - dat die in zes dagen van 24 uur heeft plaatsgevonden - herriep:
Vroeger geloofde ik dat de EO een Bijbelgetrouwe omroep was waar je met goed fatsoen lid van kon zijn. Ik werd dus lid, en heb ook anderen daar vaak toe aangespoord. Kort geleden geloofde ik nog dat, ondanks de tekenen dat de koers steeds verder wordt verlegd, er toch nog voldoende was wat mij aan die omroep verbond. Ik herroep al mijn eerdere uitspraken hierover en erken mijn lezers en luisteraars op een (dwaal)spoor te hebben gebracht. Daar heb ik spijt van.Bron: ND

Schepping en vertaling (3)

Dit is het derde deel van een serie artikelen over Genesis 1 door dr. P.A. Siebesma, hier kunt u het eerste en tweede deel lezen.

3. Is tohoe wabohoe een chaos?

Één van de belangrijkste argumenten die de aanhangers van de restitutietheorie aanvoeren voor hun opvatting, dat de aarde na de schepping tot een chaos is geworden, wordt gevormd door de vertaling van de woorden tohoe wabohoe. Zij vatten namelijk deze woorden op als een aanduiding voor een complete chaos.
Nu behoeft de Nederlandse uitdrukking "woest en ledig" niet primair te slaan op een chaos. Dat blijkt uit de nieuwste "Dikke van Dale". Deze geeft onder het trefwoord "woest" de volgen-de omschrijving:
  • 1. Ledig, zonder plantengroei of onbebouwd: de aarde nu was woest en ledig (Gen. 1:2); woeste grond, niet in cultuur gebracht.
  • 2. wild, verwilderd, onordelijk
De "dikke van Dale" kiest in navolging van de Nederlandse bijbelvertalingen in Gen.1:2 voor de eerste betekenis van "woest".
Daarentegen kiezen de aanhangers van de restitutietheorie voor de tweede interpretatie van woest, namelijk als iets dat onordelijk is.
Het Nederlands brengt ons dus niet veel verder. Wat valt vanuit het Hebreeuws over deze woorden te zeggen?

De woordenboeken van het Bijbels Hebreeuws brengen ons evenmin veel verder. Zo geeft het "Bijbels Hebreeuws Nederlands Woordenboek" van E. Italie uit 1907 (herdruk 1994, de Haan-boeken, Ede), in navolging van het gezaghebbende Duitstalige Hebreeuwse woordenboek van Gesenius als vertaling van tohoe "woestenij; woestheid; verwoesting" en van bohoe "ledigheid; eenzaamheid". De modernere woordenboeken van het Bijbels Hebreeuws leveren weinig nieuws op, of het moest zijn, dat zij tohoe met ledigheid vertalen en bohoe met woestenij, net andersom dus.
Een probleem is dat we in het Hebreeuws geen woorden van dezelfde stam hebben. Kenmerk van de Semitische talen is name-lijk, dat men van een woordstam verschillende woorden kan afleiden, waardoor we een idee krijgen wat zo'n woord betekent. Evenmin zijn in andere semitische talen parallellen voor de woorden tohoe wabohoe gevonden. In populaire studies wordt vaak beweerd dat zij verwant zijn aan woorden in het Babylonisch-Assyrisch, maar dit is niet juist gebleken. Mogelijk is het woord tohoe verwant an het Ugaritische woord thw dat woestijn betekent. Voor de vertaling van dit woord kunnen we daarom niet bij andere talen te rade gaan.

Het raadplegen van een Hebreeuwse concordantie leert ons dat het woord tohoe twintig keer in het Oude Testament voorkomt, waarvan drie keer in combinatie met bohoe, dat verder los niet voorkomt. Behalve in Gen. 1:2 komt het in combinatie alleen voor in Jes. 34:11 en Jer. 4:23. Los wordt tohoe meestal vertaald met "leegheid".

U. Cassuto, een Israëlische geleerde heeft in zijn commentaar bij Gen. 1:2 opgemerkt dat de meeste commentatoren de fout maken dit woord tohoe apart te bestuderen. Naar zijn mening is dit methodisch niet juist. De uitdrukking tohoe wabohoe vormt een vaste uitdrukking en behoeft daarom niet vertaald te worden als de afzonderlijke woorden. Als voorbeeld van zo'n samengestelde uitdrukking, die tezamen iets anders betekenen als de afzonderlijke componenten, noemt hij het modern Hebreeuwse woord kolno'a. het is samengesteld uit de woorden kol, letterlijk "stem" en no'a letterlijk "beweging". Maar tezamen is het het woord voor bioscoop! Dit zou je uit de afzonderlijke woorden niet zo gauw opmaken. Hij vat tohoe wabohoe als een uitdrukking op.

De meeste vertalingen vertalen deze woorden als bijvoeglijke naamwoorden, maar gezien de woordsconstructie ligt het meer voor de hand om aan zelfstandige naamwoorden te denken, dus bijv. niet woest en ledig, maar woestheid en ledigheid."

Laten we daarom de drie teksten Gen. 1:2, Jer. 4:23 en Jes. 34:11 eens nader bekijken. Wat kunnen we uit de context van Gen. 1:2 opmaken met betrekking tot de uitdrukking tohoe wabohoe? De aarde was bedekt met water alles daarboven was als het ware bedekt met duisternis. Er waren geen levende wezens, geen planten of dieren. Er was sprake van een totale leegheid en verlatenheid. Vandaar dat ook velen hebben voorgesteld om tohoe wabohoe te vertalen met "leegheid" of "complete leegheid". De aarde was immers leeg, er waren geen planten, dieren en mensen. Deze moesten nog geschapen worden.

In Jer. 4:23 lezen wij: "Ik zag de aarde, en zie, zij was woest en ledig; ik zag naar de hemel, en zijn licht was er niet." Deze tekst geeft een beschrijving van hoe het land er uit zal zien nadat de vijanden uit het noorden er hebben huisgehouden. Er is dan geen mens meer over, alle vogels zijn weggevlogen (vers 25), het land is tot een woestenij geworden (vers 26, 27). Deze situatie zal te vergelijken zijn met de situatie van de eerste scheppingsdag. Het aspect van leegheid past dan ook goed binnen deze context. Het land is onvolkt en zelfs de dieren en vogels zijn verdwenen.
Nu is hier inderdaad sprake van een oordeel. Door de zonden van het volk en van haar leiders is het land door vijandelijke legers uit het noorden aangevallen, veroverd en verwoest. Maar het oordeel komt hierin tot uiting, dat het land, dat eertijds een dicht bevolkt land overvloeiende van melk en honing was, als het ware weer terug geplaatst is naar de situatie van voor de eerste scheppingsdag. Daarom mogen we op grond van deze tekst niet de conclusie trekken dat ook in Gen. 1:2 sprake is van een oordeel van God.

Evenzo verwijst Jes. 34:11, het gedeelte dat spreekt over het gericht van God over Edom, terug naar Gen. 1:2. "Pelikaan en roerdomp nemen het in bezit, uil en raaf huizen daar; Hij spant daarover het meetsnoer der woestheid en het paslood der ledigheid". Het vroeger zo dichtbevolkte gebied van Edom zal nu aan de wilde dieren ten prooi vallen, omdat er geen mensen zullen wonen. In het gericht van de HERE zijn zij allen door het zwaard omgekomen. Vers 12 vervolgt met: "Van zijn edelen is er geen, die het koninkrijk uitroept, en geen zijner vorsten is er meer. In zijn burchten schieten dorens op, netels en distels in zijn vestingen; en het zal een verblijf voor de jakhalzen zijn, een hof voor de struisvogels."
Ook hier is een duidelijk aspect van leegheid aan te wijzen: het land is onbewoond, er zijn geen inwoners meer, en daarom is het prijsgegeven aan de wilde dieren. Dat vormt het oordeel dat het land Edom zal lijken op de aarde voor de eerste scheppingsdag, toen er nog geen mensen waren.

Een andere tekst die de aanhangers van de restitutietheorie vaak aanhalen is Jes. 45:18. "Want zo zegt de HERE, die de hemelen geschapen heeft - Hij is God - die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft, Hij heeft haar gegrondvest; niet tot een baaierd (tohoe) heeft Hij haar geschapen, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd: Ik ben de HERE en er is geen ander". Volgens hun blijkt hieruit dat God de wereld niet tot een chaos heeft geschapen, dus de situatie van Gen. 1:2 is niet oorspronkelijk maar zo geworden.
Mijns inziens wordt hier vooral het contrast tussen "baaierd" (tohoe) en "ter bewoning" benadrukt. De HERE, de enige verlosser van Israël, de Schepper van hemel en aarde, wil dat Zijn volk naar Hem luistert, zich tot Hem bekeert, zodat zij zullen terugkeren uit de ballingschap en veilig zullen wonen in het land, dat Hij hen heeft gegeven.
Blijkbaar is tohoe hier het tegenovergestelde van iets dat bewoond is. Ook hier past het aspect van leegheid. God heeft immers de wereld geschapen opdat het vol leven zou zijn en bewoond zou worden door mensen en dieren.
Men mag daarom op grond van Jer. 4:23 en Jes. 34:11, waar sprake is van een oordeel van God over resp. Juda en Edom niet de conclusie trekken dat ook in Gen. 1:2 sprake is van een oordeel van God. Al deze teksten wijzen terug naar Gen. 1:2 en ze waarschuwen de toehoorders dat de situatie weer zal worden, zoals het ook voor de eerste scheppingsdag was, namelijk onbevolkt en leeg. Het oordeel is juist dat de klok teruggedraaid zal worden. In Gen. 1:2 zelf is echter geen sprake van een oordeel, maar van een begintoestand.
Een vertaling "chaos" in Gen. 1:2 en andere teksten is mijns inziens dan ook niet goed gekozen. Het woord "chaos" heeft in onze taal een negatieve bijklank, die we in de bijbeltekst niet vinden. Het woord chaos zelf is van Griekse oorsprong en staat in tegenstelling tot kosmos, de geordende wereld.
Daarentegen hebben de Hebreeuwse woorden de connotatie van leegheid en onbewoond zijn. Het is nog maar de vraag of in het oud-testamentische denken eenzelfde inhoud geeft aan het woord chaos, zoals de Grieken dat doen.

Hoe moeten we ons dan de situatie van Gen. 1:2 voorstellen? U. Cassuto geeft een mooie beschrijving van dit vers: "Net zoals de pottenbakker, wanneer hij een mooie vaas wil maken, eerst een klomp klei pakt en het op een pottenbakkerswiel plaatst om het te kneden, zoals hij het wil, zo maakte de Schepper eerst voor zich zelf het ruwe materiaal van het universum om het daarna te ordenen en leven te geven. Omdat alles nog niet gevormd was, lagen de zwaarste materialen op de bodem, met het water als het lichtste er boven op. En deze situatie wordt tohoe wabohoe genoemd. Er is dus geen sprake van chaos of wanorde in de negatieve zin des woords, maar alleen van een onbewoonde, nog niet geordende situatie."
Hoe zouden we tohoe wabohoe dan kunnen vertalen? Sommige geleerden denken dat bohoe een versterking vormt van tohoe. Je zou het dan kunnen omschrijven als een uiterste leegheid. Toen God in vers drie met scheppen begon, was de aarde in een complete staat van verlatenheid en eenzaamheid.

maandag, februari 09, 2009

De Londense Bus oorlogen

Iets anders kan ik het niet noemen, geïnitieerd door een groep atheïsten met de slogan "Er is waarschijnlijk geen God...", zijn nu een aantal christelijke partijen de strijd aangegaan door met hun eigen slogan te komen.


Het moge dan ook duidelijk zijn dat hier aandacht aan gegeven moest worden, zo zien we Jim West reageren met The Church doesn’t need to adopt the strategies of the world; it needs to be itself. If people want no part of it then so what. Om vervolgens ze samen met alle katten van de wereld Let them roast in the fiery pits where they belong anyway if that’s what they want. Heaven will be much nicer without those pesky atheists trotting around trying to convince people its all just a dream or a fantasy. Hoewel ik voor een groot deel met hem mee kan gaan, wil ik toch niet zover gaan. Toch heeft hij gelijk, dat dit soort 'marketing-acties' niet de juiste manier zijn om je gelijk te bewijzen, het is wel de manier om meer onbegrip te krijgen van alle ongelovigen, zoals we kunnen lezen in de reactie van Alun Salt.

In ieder geval is de boodschap nu een stuk duidelijker ,dan die actie met te hard rijdende auto's met visjes op hun bumper welke achtervolgd worden door andere eveneens te hard rijdende auto's met haaien op hun bumpers. Maar misschien komt dat wel omdat de 'gelovigen' niet meer als ijkpunt 'de Bijbel van kaft tot kaft' hebben, maar op zoek zijn naar nieuwe ijkpunten.

De enige slotconclusie is: Much ado about nothing, zoals Shakespeare zou zeggen.

Biblical Studies Carnival 37

Meldde ik enige dagen geleden nog dat we een volle maand zonder de Biblical Studies Carnival moesten doen, deze maand wordt met terugwerkende kracht door N.T. Wrong alsnog de 37ste Carnival gepresenteerd.

zondag, februari 08, 2009

Schepping en vertaling (Gen 1:2)

Dit is het tweede deel van een serie artikelen over Genesis 1 door dr. P.A. Siebesma, het eerste deel kunt u hier lezen.

Werd de aarde woest en ledig?

Ook de eerste twee woorden van Gen. 1:2 worden op verschil-lende manieren vertaald. In het Hebreeuws staat hier: weha'arets hajeta tohoe wabohoe" en de aarde was woest en ledig".
Sommigen willen in tegenstelling tot onze vertalingen weergeven met "en de aarde werd woest en ledig".
Deze vertaling wordt vooral voorgestaan door degenen die de restitutietheorie aanhangen.
In de Engelstalige wereld zijn er veel christenen, die deze opvatting aanhangen. Door de bekende Scofield Reference Bible, waarin ze wordt verdedigd, heeft ze een ruime verspreiding gekregen. Ook in Nederland, met name in sommige evangelische kringen, is deze opvatting populair. En dat valt wel te begrijpen, omdat op die manier ruimte wordt geboden voor de evolutietheorie.

Wat houdt deze opvatting in? God heeft de hemel en aarde in Gen. 1:1 als goed geschapen. Na de schepping van hemel en aarde ontstond er echter chaos, doordat één van de engelen in opstand kwam tegen God. In zijn hoogmoed wilde hij aan God gelijk zijn. Zo werd deze engel tot de Satan. Toen hij tot val werd gebracht, werd daardoor de aarde tohoe wabohoe, Hebreeuws voor "woest en ledig", dat wil zeggen tot een complete chaos.
Als argument voor deze opvatting haalt men ondermeer Jes. 45:18b aan: "Hij is God - die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft, Hij heeft haar gegrondvest; niet tot een baaierd (tohoe), heeft Hij haar geschapen, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd.." Hieruit blijkt, zo zegt men, dat God de aarde niet als een tohoe wabohoe heeft geschapen. Eveneens wordt uit Jer. 4:23 en Jes. 34:11, de enige passages, waar deze uitdrukking nog verder voorkomt geconcludeerd dat het hier om een toestand gaat, die het gevolg is van een oordeel van God. Na een periode van chaos, waarvan men niet weet hoelang die heeft geduurd, begon God met het herscheppen van de aarde, hetgeen zes dagen duurde. Vandaar ook de naam "restitutie", letterlijk Latijn voor herschepping. Daarom wil men het begin van Gen. 1 ook vertalen: de aarde werd woest en ledig.
Binnen deze theorie zijn verschillende variaties mogelijk. Sommigen nemen aan dat de aardlagen zijn ontstaan tussen Gen. 1:1 en 1:2, terwijl weer anderen van mening zijn dat dit pas tijdens de zondvloed heeft plaatsgevonden. Weer anderen laten ruimte voor de evolutietheorie: de aarde is miljoenen jaren geleden ontstaan, maar pas zesduizend jaar geleden door God herschapen. Men neemt dan soms ook aan dat er mensen hebben bestaan voor Adam. Kortom, onder de aanhangers hiervan bestaat op een aantal punten verschil van mening over details.

Overigens is deze opvatting al zo oud als het christendom, we vinden haar terug bij kerkvaders als Origines en Augus-tinus, maar ook bij moderne orthodoxe oudtestamentici als F. Delitzsch en bij een apologeet als C.S. Lewis.

Wordt deze opvatting gesteund door onze kennis van het Bijbels Hebreeuws de grammatica? De vraag is: Moet de werkwoordsvorm hajeta vertaald worden zoals de Statenvertaling en NBG het doen met "was", of met "werd"?

Nu is het helemaal niet zo eenvoudig om daarop een antwoord te geven, zelfs niet voor mensen die goed Hebreeuws kennen, laat staan voor hen die weinig van deze taal afweten.
Wat veel onderzoekers doen om op deze vraag een antwoord te krijgen, is meestal het volgende: Men pakt een Hebreeuwse concordantie, zoekt daarin op waar het woord hajeta in het Oude Testament voorkomt en gaat vervolgens na hoe het in de diverse vertalingen wordt weergegeven. En dan blijkt inderdaad dat men dit woord vaak kan vertalen met "werd".
Dit is mijn inziens echter niet zo'n goede methode, omdat het geen recht doet aan de eigenaardigheden van het Hebreeuwse werkwoord.

In het Hebreeuws kent men twee verschillende "tijden": een zogenaamd perfectum en een zogenaamd imperfectum. Deze termen heeft men ontleend aan de Latijnse grammatica. Maar de genoemde werkwoordsvormen dekken slechts ten dele de letterlijke betekenis van Latijnse termen. Letterlijk betekent perfectum voltooide tijd. Maar als je een concordantie raadpleegt, zie je dat zo'n perfectum-vorm (zoals ook hajeta) in de vertalingen zowel met een tegenwoordige, als met een verleden of als ook met een voltooid verleden tijd vertaald kan worden. En dat geldt ook voor een imperfectumvorm. Die wordt zowel met een tegenwoordige als met een toekomende tijd vertaald worden. Voor een deel overlappen ze elkaar dus. En wanneer ook nog in bepaalde gevallen een perfectum met een toekomende tijd vertaald kan worden en een imperfectum met een verleden tijd, dan lijkt de verwarring helemaal compleet.
Daarom willen sommige grammatici de termen perfectum en imperfectum vervangen door meer geschikte termen.
Er bestaan binnen de Hebreeuwse taalwetenschap heel veel verschillende theorieën over de precieze verschillen tussen perfectum en imperfectum.

Nu moet u uit het bovenstaande niet het idee krijgen dat de Hebreeuwse tekst van het Oude Testament daarom onmogelijk te vertalen is. Uit de context is vaak duidelijk hoe vertaald moet worden. Niemand vertaalt Gen. 1:1 met: "In den beginne zal God de hemel en de aarde scheppen." Alleen in bepaalde gevallen, zoals in Gen. 1:2, kan het problemen opleveren.

Daarom kunnen we de vraag of hajeta in Gen. 1:2 met "werd" of "is geworden" vertaald mag worden, beter vanuit een ander gezichtspunt benaderen. Wat is het doel van Gen. 1:2? Is hier sprake van een opeenvolging van gebeurtenissen of niet? Welke relatie bestaat er tussen Gen. 1:2 en het voorafgaande vers en het er opvolgende vers. Als we die vraag beantwoord hebben, dan kunnen we ook vaststellen, hoe het vertaald moet worden.

Kenmerkend voor het Hebreeuwse proza van het Oude Testament is dat een verhaal meestal begint met een zogenaamde perfectumvorm en vervolgens wordt het verhaal voortgezet met behulp van een speciaal soort imperfectumvorm (het zogenaamde imperfectum-consecutivum), die met een verleden tijd moet worden vertaald.
Dat is ook het geval in Gen. 1:1. Hier staat: "In de beginne schiep (dit is een perfectumvorm) God de hemel en de aarde". De geschiedenis van de schepping van de wereld wordt voortgezet in vers 3. "En God zeide: Er zij licht".
Voor het werkwoord "zeide" wordt die speciale imperfectumvorm gebruikt. En ook voor de andere werkwoordsvormen in Gen. 1 wordt grotendeels die vorm gebruikt: "En er was licht", vers 4: En God zag...", "En God maakte scheiding...", vers 5: "En God noemde..", etc. Het gaat hier allemaal om die speciale imperfectumvorm.
Vers 2 valt hier dus uit de toon. Wanneer de bijbeltekst had willen weergeven: "En de aarde werd woest en ledig", nl. als beschrijving van een er opvolgende gebeurtenis, dan zou er m.i. gebruik zijn gemaakt van zo'n imperfectum consecutivum en niet van een perfectum. Het Hebreeuws zou dan geluid hebben: wattehi en niet hajeta.
De vraag blijft natuurlijk wel staan, waarom in Gen. 1:2 een perfectumvorm wordt gebruikt. Hoe moet men Gen. 1:2 opvatten. Hiervoor bestaan verschillende mogelijkheden.

Volgens een aantal Hebreeuwse grammatica's is hier sprake van een soort bijzin, men noemt dat een omstandigheidszin. Hieronder verstaat men een zin die een bepaalde toestand beschrijft en die onderscheiden moet worden van een verhalende zin. Voorbeelden van dergelijke zinnen zijn Gen. 12:8 ("terwijl Bethel in het Oosten en Ai in het Westen lag"); 2 Sam. 18:14 ("terwijl hij nog leefde") en Gen. 48:14 ("terwijl hij zijn handen kruiselings legde"). etc.
Omstandigheidszinnen kunnen zowel voor als na de zin die de hoofdgedachte uitdrukt voorkomen. Theoretisch zou Gen. 1:2 zowel verbonden kunnen worden met vers 1 als met vers 3. De eerste mogelijkheid lijkt mij minder waarschijnlijk, en wel om een inhoudelijke reden. Dit zou impliceren dat God, toen Hij de aarde schiep, deze al in een woeste staat hiervoor aanwezig was. En dit is mijns inziens strijdig met wat we kunnen opmaken uit andere teksten, zowel uit het Oude als Nieuwe Testament, zie bijv. Spr. 8:22-26; 2Macc. 7:28; Joh. 1:1-3; Hebr. 11:3).
Het is dus waarschijnlijker dat vers 2 op een of andere manier verbonden moet worden met vers 3.

In het Oude Testament vindt men een aantal teksten die op precies dezelfde wijze worden geconstrueerd als Gen.1:2. Hier geeft het aan, dat er iets wordt toegevoegd door middel van een bijzin, wat noodzakelijk is voor een beter begrip van wat er volgt.
Twee voorbeelden van een dergelijke constructie zijn bijvoorbeeld: Gen. 3:1 "En (we) de slang nu was (haja) het listigste van alle dieren van het veld, die de Here God had gemaakt, en hij zei (imperfectum consecutivum) tot de vrouw:"
Om wat volgt beter te kunnen begrijpen is noodzakelijk om te weten dat de slang een zeer listig dier was.

Gen. 13:2 "En (we) Abram was zeer rijk aan vee, zilver en goud en hij ging" (imperfectum consecutivum)..." Om de in dit hoofdstuk beschreven ruzie en scheiding tussen Abraham en Lot te kunnen begrijpen, is het noodzakelijk te weten dat Abram zeer veel vee bezat.
Zo kan men ook Gen. 1:2 opvatten. Deze opmerking over de toestand van de aarde, nl. dat zij woest en ledig was, etc, is noodzakelijk om te begrijpen waarom God het licht moest scheppen en scheiding moest aanbrengen tussen water en droge, etc..
Op grond van bovengenoemde argumenten ben ik dan ook van mening, dat men in Gen. 1:2 de werkwoordsvorm haja niet mag vertalen met "werd" of "is geworden". Het Hebreeuws zou dan van een andere werkwoordsvorm gebruik hebben gemaakt en wel van een imperfectum-consecutivum.
Gen. 1:2 geeft ons aanvullende informatie over wat er in Gen. 1:3 ge-schiedt: de eerste scheppingsdag. Zo vertalen al de oude vertalingen van het Oude Testament dit vers.

Men kan Gen.1:2 dus beter niet vertalen met "werd". Maar spreekt deze grammaticale analyse van Gen. 1:2 dan de restitutietheorie tegen? Hierin moeten we voorzichtig zijn. Als vers 2 verbonden moet worden met vers 3 en daar dus iets aanvullend over zegt, dan betekent dat niet dat er geen tijdsperiode kan zijn geweest tussen Gen. 1:1 en 1:2. Hooguit kan men zeggen dat de bijbeltekst daarover geen uitspraak doet, pro noch contra. Wel is het zo, dat als de tekst dit echt bedoeld zou hebben, men voor een andere werkwoordsvorm zou hebben gekozen. De vraag blijft natuurlijk wel staan hoe men de uitdrukking tohoe wabohoe moet vertalen.

zaterdag, februari 07, 2009

Schepping en vertaling

Er is in de loop van de tijd heel veel gepubliceerd over de eerste verzen van het bijbelboek Genesis. Het aantal commentaren dat deze passages bespreekt, is dan ook ontelbaar. Men treft daarin zeer uiteenlopende opvattingen aan, afhanke-ijk van de theologische vooronderstellingen, die men aanhangt.
Een belangrijke vraag is, hoe men de geschiedenis van de schepping, zoals deze beschreven staat in Genesis 1, in overeenstemming kan brengen met datgene wat binnen de natuurwetenschappen wordt geleerd. Wat is de relatie tussen de evolutietheorie en Genesis 1? Hierover is het laatste woord nog niet geschreven.

De komende dagen gaat de hebraïcus dr. P.A. Siebesma op deze blog in op enkele vragen rond de uitleg van Gen. 1:1-5. Deze vragen zijn zowel door theologen als door natuurwetenschappers al eerder gesteld. Hij zal ze echter met name belichten vanuit taalkundig oogpunt. Kan onze kennis van het Bijbels Hebreeuws, de taal waarin deze schriftgedeelten zijn geschreven, ons helpen bij het beoordelen van de verschillende uitleggingen die er van dit gedeelte bestaan?


1. Verschillende vertalingen van Gen. 1:1

We zijn zo gewend aan de vertaling van Gen. 1:1 "In den beginne schiep God de hemel en de aarde", dat we misschien niet beseffen, dat er ook andere vertalingen mogelijk zijn. Dat valt op, wanneer we bijvoorbeeld Engelstalige bijbelvertalingen raadplegen.
Zo vertaalt de Good News Bible (1976) het eerste vers van de Bijbel als volgt: "In the beginning, when God created the universe, the earth was formless and desolate" ("In het begin, toen God de hemel en de aarde schiep, was de aarde woest en ledig").
Een andere Amerikaanse vertaling, de gezaghebbende joodse vertaling van de Jewish Publication Society (1962), vertaalt het weer iets anders:
"When God began to create the heaven and the earth - the earth being unformed and void.... - God said ..." ("Toen God de hemel en de aarde begon te scheppen - de aarde nu was woest en ledig - zei God..").

Deze twee Amerikaanse vertalingen lijken erg op elkaar. Toch is er wel een duidelijk verschil. De Good News Bible vat vers 1 op als een bijzin bij vers 2, die de hoofdzin vormt. Daarentegen laat de joodse vertaling de hoofdzin bij vers 3 beginnen ("God zei"). Daarentegen vatten onze Statenvertaling en de Nieuwe Vertaling van het NBG (1951) vers 1 op als een hoofdzin.
Waarom vertalen deze Amerikaanse bijbeluitgaven Gen. 1:1 afwijkend en hebben zij hierin gelijk? Wat is de juiste vertaling?

In het Hebreeuws staat er letterlijk:
Bere'sjiet (in een begin) bara' (schiep) 'elohiem (God)
'et hasj-sa-majiem (de hemel) we'et ha'ar-ets (en de aarde)

Om met de joodse vertaling te beginnen, deze is gebaseerd op de uitleg van Gen. 1 van een bekende joodse bijbelverklaarder, Rasji.
De naam Rasji is de afkorting voor rabbi Solomon ben Isaac en hij was een van de bekendste middeleeuwse joodse commentatoren van de Bijbel en van de Talmoed. Hij leefde, zo neemt men aan, van 1040 tot 1105 in Troyes in Frankrijk. Zijn commentaren hebben niet alleen een grote in-vloed uitgeoefend op de joodse commentatoren na hem, maar ook op de christelijke (bijv. Luther).
Rasji poneert in zijn commentaar op Genesis, dat ook in het Nederlands is vertaald, dat het woord "in het begin" (bere'sjiet) in een bepaalde Hebreeuwse constructie staat, waardoor het verbonden moet worden met het woord dat erop volgt, "schiep". Hij komt dan tot de vertaling: "in het begin van het scheppen door God van hemel en aarde", d.w.z. "toen God begon te scheppen".
Als voornaamste argument voor deze vertaling poneert hij dat er letterlijk in het Hebreeuws niet staat "in het begin", maar "in een begin". Dat zou je niet verwachten, en daarom is er dan ook sprake van een bepaalde grammaticale vorm, die in het Hebreeuws "status constructus" wordt genoemd.
Daaronder verstaat men een bepaalde manier, waarop in het Hebreeuws twee woorden met elkaar verbonden kunnen worden. In het Nederlands zou men dan gebruik maken van het woordje "van", maar het Hebreeuws plakt als het ware twee woorden aan elkaar, bijv. ben-David: zoon (van) David.
Kenmerkend voor deze wijze van zeggen is dat het eerste deel nooit een bepaald lidwoord kan krijgen ("de" of "het", in het Hebreeuws ha). Toch mag men wel vertalen alsof het lidwoord er staat. Men kan in het Hebreeuws dus wel zeggen: ben-David en het vertalen, al naar gelang de context het ver-eist, met "de zoon van David" of "een zoon van David", maar men kan niet zeggen: ha (de) - ben-David. Dit is onmogelijk. Het ontbreken van het lidwoord "het" in "in een begin" wijst er, aldus Rasji op, dat het verbonden moet worden met "schiep". Bovendien, zo meent hij, in alle andere gevallen, waar in het Oude Testament het woord "begin" (in het Hebreeuws re'sjiet) voorkomt, staat het ook in de status constructus.

Heeft Rasji op dit punt gelijk? Naar mijn mening niet en wel om een aantal redenen.

1) De Masoreten, de joodse geleerden die in de achtste tot de tiende eeuw, de Hebreeuwse bijbel-tekst van klinkertekens hebben voorzien, vatten het niet zo op. In dat geval hadden ze andere klemtoontekens bij de tekst geplaatst.

2) Geen enkele oude vertaling vertaalt het op de wijze van Rasji, noch de Griekse vertaling: de Septuaginta, noch de Syrische vertaling: de Peshitta, noch de Aramese Targum Onkelos, noch de Latijnse Vulgata en noch de Armeense vertaling.
Het is opmerkelijk dat de Griekse tekst van Joh. 1:1 eveneens leest "in een begin". Deze is immers gebaseerd op Gen. 1:1.

3) De bewering van Rasji dat de vorm re'sjiet in het Oude Testament altijd in de status constructus voorkomt is niet juist. Van de 51 maal in het Oude Testament zijn er 5 plaatsen (Gen.- 1:1 niet meegerekend), waar dit woord niet in de status constructus staat (Lev. 2:12; Deut. 33:21; Jes. 46:10; Ps. 105:36 en Neh. 12:44).

4) Nu zou men hieruit de conclusie kunnen trekken dat onze vertalingen Gen.1:1 ook niet goed vertaald hebben. Immers geen enkele vertaling geeft het weer met: "In een begin schiep..."
Toch is het feit dat het woord re'sjiet in Gen. 1:1 geen lidwoord bezit, is op zich zelf niet vreemd. De bijwoordelijke uitdrukkingen, die aan dit woord verwant zijn en met een voorzetsel verbonden worden, komen maar zelden voor met een lid-woord. Maar ze moeten wel vertaald worden met een lidwoord, bijvoorbeeld mero'sj ("vanaf het begin"), Jes. 40:21; 41:4,26; 48:16; Pred. 3:11; Spr. 8:23, miqqedem ("van oudsher"), Jes. 45:21; 46:10, of me'olam ("oudtijds"), Gen. 6:4; Joz. 24:2; 1 Sam. 27:8.

Daarom hoeft men hier niet aan een zogenaamde status-constructus te denken en is de meest simpele vertaling mijns inziens ook de beste.

Om die reden is de vertaling van de Good News Bible evengoed af te wijzen. Het is niet duidelijk, waarom men juist voor deze vertaling heeft gekozen. Het valt niet aan te nemen dat zij ook beïnvloedt zijn door de joodse exegese. Zoals in het volgen-de deel aangetoond zal worden, kan vers 2 nooit een hoofdzin zijn. Mogelijk is deze vertaling ontstaan onder invloed van de restitutietheorie.
Zoals hieronder aangetoond zal worden, kan volgens de Hebreeuwse grammatica vers 2 nooit een hoofdzin zijn.

Wordt vervolgd...

vrijdag, februari 06, 2009

2000 jaar oude Syrische Bijbel gevonden

Volgens berichtgeving schijnt het dat er een zeer oude Syrische Bijbel is gevonden:

Authorities in northern Cyprus believe they have found an ancient version of the Bible written in Syriac, a dialect of the native language of Jesus.

The manuscript was found in a police raid on suspected antiquity smugglers. Turkish Cypriot police testified in a court hearing they believe the manuscript could be about 2,000 years old.

The manuscript carries excerpts of the Bible written in gold lettering on vellum and loosely strung together, photos provided to Reuters showed. One page carries a drawing of a tree, and another eight lines of Syriac script.

Experts were however divided over the provenance of the manuscript, and whether it was an original, which would render it priceless, or a fake.

Experts said the use of gold lettering on the manuscript was likely to date it later than 2,000 years.

"I'd suspect that it is most likely to be less than 1,000 years old," leading expert Peter Williams, Warden of Tyndale House, University of Cambridge told Reuters.


Het werpen van schoenen

Niet alleen Bush, maar ook de Israëlische ambassadeur in Zweden en de Chinese premier behoorden tot de gelukkigen. Ook in Nederland blijkt het een sport te worden. Sommigen denken dat het gooien van schoenen iets nieuws is.Niets is minder waar, in de Bijbel komen we deze activiteit al tegen.

In de Psalmen komen we het al tegen Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen! (Ps 60:10; 108:10). Sommigen gaan er vanuit dat het een symbool is voor het in bezit nemen van het land, men verwijst dan naar het feit dat dit gebruik bij Abessynische koningen is geconstateerd. In dit Bijbel komen we dit tegen in Ruth (4:7), waar men een schoen uittrekt en geeft aan de ander als symbool van eigendoms-overdracht (niet van de schoen maar van een stuk land)
Anderen denken meer praktisch en stellen dat Moab een bekken is voor het wassen van zijn voeten, en de uitgetrokken (vuile) schoenen worden dan naar Edom geworpen. In dit geval moet het als een belediging worden opgevat.

Ik weet niet in hoeverre deze schoenengooiers Bijbels zijn onderricht, en of ze in de eerste uitleg geloven, nl. het overdragen van hun landgoederen, of dat ze meer geneigd zijn in de tweede uitleg en het als belediging bedoelden.

Christenvervolging

Een overzicht van de belangrijkste (kranten)koppen van de afgelopen dagen die met christenvervolging te maken hebben.