De afgelopen jaren heb ik zeer regelmatig berichten gegeven van christenvervolging in de wereld. Vaak was dat slechts het topje van ijsberg, volgens sommige gegevens worden wereldwijd op dit moment bijna 200.000 christenen om hun geloof vervolgd. Nu is dit niet van de laatste jaren, daarom wil ik in een korte serie een overzicht geven van het ontstaan van deze vervolging. Eerste deel is
hier te lezen.
Kozen de Joden ten tijde van Jozua massaal voor God, vele eeuwen later sprak Jezus vanaf de top van de Olijfberg
"Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen. Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden benauwen; En zullen u tot den grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u den enen steen op den anderen steen niet laten; daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt." (Lukas 19: 42-44) We spreken hier over Jeruzalem, de stad
"Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, ...; de stad des groten Konings." (Psalm 48: 2), welke in de tijd van Christus stellig nog mooier was geworden. Er was veel geld en tijd in gestoken om deze tempel op te bouwen, niet alleen door de Joden, maar ook koning Herodes de Grote was zeer vrijgevig geweest met de Romeinse rijkdommen en zelfs de keizer had er met zijn schenkingen toe bijgedragen. Blokken wit marmer, van fabelachtige afmetingen, waren uit Rome gehaald. Meer dan 40 jaren had het geduurd voordat Jeruzalem er zo mooi uitzag, maar Jezus zag wat er ging gebeuren en daarom
"weende Hij over haar" (Lukas 19: 41)
Hij zag dat de Joden van de tempel
"een kuil der moordenaren hadden gemaakt." (vs. 46) Hij zag dat de profetie van Micha vervult was:
" Hoort nu dit, gij hoofden van het huis Jakobs, en gij oversten van het huis Israels! die van het gericht een gruwel hebt, en al wat recht is verkeert; Bouwende Sion met bloed, en Jeruzalem met onrecht. Haar hoofden rechten om geschenken, en haar priesters leren om loon, en haar profeten waarzeggen om geld; nog steunen zij op den HEERE, zeggende: Is de HEERE niet in het midden van ons? Ons zal geen kwaad overkomen." (Micha 3: 9-11)
Drie jaar lang had de Here van het licht en heerlijkheid onder Zijn volk gewoond
'goeddoende, en genezende allen, die van den duivel overweldigd waren" (Handelingen 10: 38) In zijn genade nodigde Hij iedereen uit:
"Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven." (Mattheus 11: 28) Maar dit
"Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild." (Mattheus 23: 37; Johannes 5: 40) De discipelen begrepen het toen nog niet, maar Christus waarschuwde:
"Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniel, den profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!) Dat alsdan, die in Judea zijn, vlieden op de bergen." (Mattheus 24: 15-16; Lukas 21: 20-21)
Omdat ze Gods laatste en ultieme Boodschap niet hadden aangenomen
"zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg dezes huizes tot hoogten eens wouds." (Micha 3: 12)
"De zoon zal niet worden gestraft voor de zonden van zijn vader." maar
"Degene die zondigt, is degene die sterft." (Ezechiël 18: 20) De Joden hadden de zonden van hun vaderen overgenomen toen ze schreeuwden
"Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen." (Mattheus 27: 25) Maar toch was God geduldig, 40 jaar kon het Evangelie worden verkondigd door de Apostelen, voordat de vernietiging kwam. Veertig jaren, vol vervolging, de leiders werden satanisch in hun wreedheid, overal was er achterdocht, afgunst, haat, twist, opstand en moord. In hun daden hadden ze gezegd
"Wijkt af van den weg, maakt u van de baan; laat den Heilige Israels van ons ophouden!" (Jesaja 30: 11) Alle voorzeggingen van Christus over de verwoesting gingen letterlijk in vervulling. De Joden ondergingen de waarheid van Zijn woorden
"Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden." (Mattheus 7: 2)
En toen kwamen de wonderen en tekenen welke voorspeld waren (Lukas 21:11), Flavius verhaalt dat de priesters die dienst deden in de tempel geheimzinnige geluiden hoorden, dat de aarde beefde en men hoorde vele stemmen roepen
"Laat ons van hier weggaan" (Flav. Joseph. VI.5:288-299) ze zagen midden in de nacht een onnatuurlijk licht boven het altaar en de Tempel. De grote poort in het oosten, die zo zwaar was dat twintig mannen haar nauwelijks konden sluiten en die in deze tijd bovendien nog eens was verstevigd door zeer grote ijzeren staven, die diep in het plaveisel waren bevestigd, ging voor de ogen van de Joden uit eigen kracht open. Verder was er nog de zoon van Ananias welke zeven jaar (!) lang de Joden waarschuwde
"Een stem uit het oosten! Een stem uit het westen! Een stem uit de vier windstreken! Een stem tegen Jeruzalem en zijn tempel! Een stem tegen de bruidegoms en de bruiden! Een stem tegen het volk!" (Flav. Joseph. VI.6:300-309) Deze man werd gevangen genomen, gegeseld, maar het enige wat hij zei was
"Wee, wee over Jeruzalem" Hij zweeg toen hij werd gedood door een ballista (de kanonnen van die tijd) tijdens het beleg.
De enigen die reageerden op deze wonderen en tekenen waren de christenen, er werd dan ook geen enkele van deze gedood. Christus had hen gewaarschuwd en zij keken uit naar de tekenen. (Lukas 21: 20-21). Van de Joden kwamen duizenden om van de honger en de pest, vrouwen kookten hun kinderen om maar eten te hebben (Jesaja 49: 15; Klaagliederen 4: 10). Vele anderen werden door de Romeinen gekruisigd, op een gegeven moment waren er zoveel kruisen op Golgotha dat niemand er meer tussen door kon lopen.
De Romeinse bevelhebber Titus probeerde vlak voor de beslissende aanval de Tempel nog te redden, door de priesters en de bewoners van Jeruzalem aan te bieden waar dan ook verder te vechten. Maar tevergeefs, Iemand die groter was dan hij had gezegd dat er geen steen op de andere gelaten zou worden. De blinde halssarrigheid van de Joodse leiders en de afgrijselijke misdaden die waren gepleegd in de belegerde stad, wekten de afschuw en verontwaardiging van de Romeinen. Tijdens deze laatste aanval had Titus zijn eigen soldaten niet meer in de hand, Joden werden opgesloten in bijgebouwen van de Tempel en werden zo samen met de Tempel verbrand. Door de verschrikkelijke slachtpartij, stroomde het bloed als water langs de tempeltrappen. Duizenden Joden kwamen om en boven het krijgsgewoel hoorde men stemmen die riepen:
"Ikabod" - de heerlijkheid is niet meer" (cf. 1 Samuel 4:21) Na de verovering werden zowel de stad als de Tempel met de grond gelijk gemaakt en de grond waar de Tempel had gestaan werd
"als een akker omgeploegd" (Jeremia 26: 18). Meer dan 1 miljoen mensen vonden de dood, de overlevenden werden als gevangenen naar Rome gebracht en werden voor de wilde dieren in de arena's verslonden of werden als dakloze zwervers verstrooid over de hele wereld. In dit verband heeft de profeet gezegd:
"Het heeft u bedorven, o Israel!",
"want gij zijt gevallen om uw ongerechtigheid." (Hosea 13: 9; 14:2)
Wordt vervolgd...