dinsdag, februari 28, 2006

Kerken zien elkaar voor de wereldlijke rechter

Een van de trieste dingen die ik vandaag in het ND en het RD las, was dat de PKN een (wereldse) rechtzaak is begonnen tegen de HNHK.

Als eerste moest ik denken aan de Bijbelteksten "Weest haastelijk welgezind jegens uw wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt." (Mat 5:25) en "Zo gij dan gerechtzaken hebt, die dit leven aangaan, zet die daarover, die in de Gemeente minst geacht zijn. Ik zeg u dit tot schaamte. Is er dan alzo onder u geen, die wijs is, ook niet een, die zou kunnen oordelen tussen zijn broeders? Maar de ene broeder gaat met den anderen broeder te recht, en dat voor ongelovigen. Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat gij met elkander rechtzaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever ongelijk? Waarom lijdt gij niet liever schade? Maar gijlieden doet ongelijk, en doet schade, en dat den broederen." (1 Cor 6:4-8)

Blijkbaar is het al zo normaal geworden, dat normen en waarden welke in de Bijbel staan, zoals bovenstaande, als eerste opzij worden gezet. Blijkbaar is het niet meer mogelijk op een normale manier hierover te praten. Blijkbaar is de naam van de kerk een merknaam geworden, dat het niet meer "Nederlandse Hervormde" mag dragen. Volgens mij is hervorming in het denken heel wat noodzakelijker dan nu te gaan protesteren over de naamgeving van Nederlandse kerken, pas dan is er echt herstel mogelijk, maar nu wordt de basis van het geloven volledig uit het verband gerukt.

maandag, februari 27, 2006

Pasen: de bespotting

Het vonnis is uitgesproken, echter er moet nog een tweede zitting komen bij dageraad. Om de tijd te doden, gaan ze, voordat de tweede zitting begint, Christus bespotten. In plaats dat het Sanhedrin de beklaagde beschermt, doen ze zelf aktief mee. Niet voor niets dat dr. Bob Smalhout, als Jood zijnde, dit als een zwarte bladzijde in de geschiedenis van het Sanhedrin beschouwd.

De bespotting begon met spuwen (Mat 26:67; Mark 14:65; Luk 22:64), toen bleek dat de verdachte zich niet kon verweren, deed men een doek over Zijn hoofd en begonnen Hem in het gezicht te slaan. Terwijl anderen Christus met hun vuisten te lijf gingen. De grappenmakers onder hen riepen "Vertel profeet, wie heeft U geslagen?", hierdoor aangemoedigd begonnen ook de anderen Christus te beledigen op de meest grove manier (Luk 22:65). Maar, en op deze manier een profetie vervullend, "Hij deed Zijn mond niet open" (Jes 53:7).

In onderstaan oud lied, wordt op treffende manier de reden van deze bespotting weergegeven:
Gij, o Jezus hebt gedragen
Lasteringen, spot en hoon,
Zijt gebonden en geslagen,
Gij, des Vaders eigen Zoon,
Om van schuld en eeuwig lijden
Mij verloor'ne te bevrijden.
Uit mijns harten diepen grond, o Heer,
Zij U daarvoor dank en eer.

De leeftijd van Noach's zonen.

Kevin Wilson had op zijn blog Karamat gisteren een interessante opmerking over de leeftijd van de zonen van Noach.

Het viel hem op dat bij de pre-deluvianen (Gen 5) de meesten hun eerste kinderen kregen op de gemiddelde leeftijd van 100. Echter Noach kreeg zijn kinderen op 500-jarige leeftijd. Verder viel het Kevin op, dat na de zondvloed de gemiddelde leeftijd 30 jaar was bij het krijgen van hun eerste kind. De gemiddelde ouderdom bij de pre-deluvianen was 900 jaar, na de zondvloed was deze tussen volgens Kevin tussen de 200-500 jaar. Hoewel God had gezegd dat de leeftijd van de mens 120 jaar zal zijn. Op basis hiervan gaat hij ervan uit dat de vruchtbaarheid sneller achteruit ging dan de leeftijd.

Ik heb op basis hiervan eens de leeftijden in een tweetal grafieken gezet. Wat op valt is dat al vanaf het begin de gemiddelde leeftijd van een eerste kind krijgen, steeds jonger is.


Nu moet hierbij gesteld worden, dat de leeftijd van een eerste kind krijgen niets zegt wanneer ze hun laatste kind kregen. Het is zelfs zeer aannemelijk dat de leeftijd van Noach aangeeft dat het normaal was dat ze tot hun 500-ste jaar in staat waren om kinderen te krijgen.

Een tweede opmerking is dat de stelling dat de gemiddelde leeftijd na de zondvloed bleef steken tussen de 200-500 jaar niet geheel klopt. Uit de grafiek blijkt dat iedere nakomeling steeds jonger stierf.



Update: Kevin geeft aan in een tweede blog dat er de leeftijd van vader worden na Shem een stuk lager wordt, via onderstaande grafiek probeer ik duidelijk te maken dat er toch een lijn in zit.

zondag, februari 26, 2006

Een licht voor de wereld

Zover ik bovenstaande advertentie uit een Israëlisch blad heb begrepen staat er:

"Chauffeur, begrijp je niet dat je hem niet ziet? Vooral in de winter moet je voorzichtig zijn in het donker. Het is nu winter en de duisternis start eerder dan gewoonlijk. Vooral in the winter, zie je niet de voetgangers die zwarte kleren dragen. Jij ziet het niet in. Hij ziet het niet in. Je kunt het leven van [deze] voetgangers in gevaar brengen! Rij langzaam in bevolkte gebieden en in de buurt van zebrapaden. Getekend, het ministerie van vervoer. "

Ik vraag me af, of het niet nuttiger was om deze voetgangers er op te wijzen om witte kleding of reflecterende kleding te dragen. Maar waarschijnlijk is dat het verschil tussen Israël en Nederland.

Gad (Jes 65:11)

In de Bijbel vinden we ook een vermoedelijke verwijzing naar de planeet Jupiter en wel in de moeilijke passage הַֽעֹרְכִ֤ים לַגַּד֙ שֻׁלְחָ֔ן in de NBG weergegeven als "die voor Gad een tafel aanricht" (Jes 65:11).

Dit woord וֹגּד komt verder alleen nog voor in Genesis 30:11, waar Lea het gebruikt in een woordspel met de naamgeving van haar zoon: "Er komt een hoop! en zij noemde zijn naam Gad." Men zou "Er komt een hoop!" ook kunnen vertalen met "Goed geluk!" of "fortuinlijk!". In dit verband komt het woord ook voor in eigennamen als Gaddiel (Num 13:10), "El is mijn fortuin"; Gaddi (Num 13:11), "mijn fortuin"; Gadi (2 Kon 15:14-17 ); en de profeet Gad (1 Sam 22:5).

Moderne vertalingen en veel commentaren gaan er van uit dat met וֹגּד "Gad" een godheid wordt bedoeld. De rite die hier dan beschreven wordt is een lectisterium, d.i. dat voedsel wordt neergelegd en aangeboden voor een afbeelding van een godheid.

Wie er met deze godheid wordt bedoeld of waar hij voor staat is niet geheel duidelijk. Sommigen gaan er van uit dat het Tyche is (TWOT, 313d), anderen, zoals Rashi, gaan er van uit dat het om de Zodiak (dierenriem) gaat (Shab. 67b "Gad eno ella leshon 'abodat kokabim"; cf. Targ. Pseudo-Jonathan met Gen. 20. 10, 11). Ibn Ezra (Redak) leidt het af van גְּדוּד een "bende" of "troep" en stelt daarmee dat het om de "heir des hemels" gaat. Rabbi Moshe Hakohen en Schiaparelli identificeren Gad met de planeet Jupiter, die in de oudheid bekend stond als de "god van het geluk".

Hoe wijd verspreid deze godheid was in Kaänitsche tijden blijkt uit namen als "Baalgad", een plaats aan de voet van de berg Hermon en "Migdal-gad", in de landstreek van Judea.

De onzin van de DaVinci Code

Vorige maand schreef ik al over de grote onzin van de DaVinci Code, vandaag wil ik wijzen op een artikel van Mark Shea in de Catholic Online met als titel "Dissecting 'The Da Vinci Code'", welke een goed overzicht geeft over de achtergronden van de schrijver en het boek, hieronder (in het Engels) een uittreksel:
The longer answer is that "The Da Vinci Code" has become the source for what I call "pseudo-knowledge" about the Christian faith.

Pseudo-knowledge is that stuff "everybody knows," such as the "fact" that Humphrey Bogart said "Play it again, Sam" -- except he didn't. Pseudo-knowledge doesn't matter much when the issue is the script of "Casablanca."

It matters greatly when it adversely affects the most sacred beliefs of a billion people, and when it levels the charge that the Catholic Church is essentially a vast "Murder Incorporated" network founded on maintaining the lie of Jesus' divinity and resurrection.

When that happens, very nasty genies get let out of bottles, as when the lies recorded by 19th-century czarist secret police forgers in the "Protocols of the Learned Elders of Zion" became the basis for what "everybody knew" about the Jews in the terrible anti-Semitic persecutions of the 20th century.

"The Da Vinci Code" has sold close to 30 million copies. In May, it will appear as a major film and will acquire even more unquestioned authority among millions of historically and theologically illiterate viewers -- unless Christians state the facts and help viewers recognize just how badly they've been had.

The Da Vinci Outreach initiative, led by Catholic Exchange and Ascension Press, will equip Catholics and all people of good will with resources to help them respond to this movie.

Those who say, "It's just a story," simply do not understand that this deception is part of the book's power. People often receive through fiction what they would be on guard against in reasoned debate.

And this is particularly true as Dan Brown, the author of "The Da Vinci Code," has actually stated he would not change any of his basic assertions if he were writing nonfiction. Brown means for us to understand that his claims about the origins are Christianity are true.
Met dank aan Higgaion die mij hierop attendeerde. Zie ook PaleoJudaica.

zaterdag, februari 25, 2006

Desiderius Erasmus

Jim West attendeerde mij via zijn blog erop dat Desiderius Erasmus vandaag in 1516 klaar kwam met zijn Nouum Testamentum omne iuxta Græcorum emendata uolumina interprete Erasmo Roterodamo, of kortweg zijn editie van het Griekse Nieuwe Testament.

Hoewel er een storm van kritiek losbarstte op dit werk, uitgegeven bij Johann Froben in Bazel, kwam er in 1519 een herziene versie uit, welke zowel werd uitgegeven door Froben als zijn standaard uitgever Dirk Martens.

Meer informatie is te vinden op de website van het Erasmus Center for Early Modern Studies (http://www.erasmus.org).

Pasen: De andere discipel (Joh 18:15-16)

Op de binnenplaats van het huis van Kajafas was een discipel (Joh 18:15) die Petrus binnenliet. Deze persoon, aangeduid door Johannes, als "een andere discipel" was een kennis van de hogepriester.

Veel commentaren gaan er van uit dat het zou gaan om Johannes zelf, met als argumentatie dat deze nooit zijn naam noemt in zijn evangelie, maar altijd de discipel die Jezus liefheeft. Dat hij dit laatste in dit gedeelte niet noemt, zou zijn omdat hij zich schaamde en daarom dit niet in zijn evangelie heeft opgenomen.

Na dit gedeelte nog eens gelezen te hebben, komt mij dit onwaarschijnlijk over. Hoe kon een eenvoudige visser uit Gallilea, zoals Johannes de hogepriester Kajafas kunnen kennen. Nu wordt in sommige commentaren gesteld dat hij als visser de leverancier was, maar dit klinkt niet bevredigend, uiteindelijk een machtig persoon als Kajafas zal toch niet zelf de vissen hebben gekocht, daar had hij zijn bedienden voor. Bovendien hoe kon het dat hij met zijn Gallilesche dialect niet opviel in een bolwerk van allemaal Judeërs? Het lijkt mij dan ook logischer dat deze discipel een andere persoon moet zijn geweest.

Een discipel die bij het verraad al een belangrijke rol had gespeeld, was Judas. Zou deze die andere discipel zijn geweest. Uiteindelijk hij was met de groep erop uitgetrokken om Jezus gevangen te nemen, waarom zou hij niet mee terug zijn gegaan. Door de deal met Kajafas (Mat 26:14) kende hij de hogepriester. En Judas Iskariot kwam uit Judea.

In de Peshitta staat dat het om één van de andere discipelen gaat, die niet tot de groep van de twaalven behoorde. Als dit waar is, dan zou het kunnen gaan om een discipel die bij de priesters niet bekend stond als een volgeling. Het zou dan zelfs om een lid van het Sanhedrin zelf kunnen gaan, zoals Nicodemus of Jozef van Arimathea.

vrijdag, februari 24, 2006

Konijnenplaag

De konijnen zijn een machteloos volk; nochtans stellen zij hun huis in den rotssteen.
Spreuken 30:26

In de nieuwere vertalingen is het konijn verdwenen en is de klipdas ervoor in de plaats gekomen, omdat dit een betere vertaling is.

Er zijn nog meer redenen om deze tekst te veranderen. Sinds vandaag is ons gezin een konijn(tje) rijker en zoals is te zien: Konijnen zijn niet zo machteloos, ze terroriseren meteen de boel, als "heer des huizes" kan ik niet meer omgestoord een tukkie doen. Hoewel, nu ze uit de Bijbel zijn verdreven, kunnen ze niet meer "hun huis in de rotssteen" stellen, vandaar dat mijn huis dus nu verworden tot een stuk rotssteen? Een opvanghuis voor asielzoekende konijnen?

Het opbeurende nieuws, hij is door mijn dochter "Sunshine" genoemd, blijkbaar ben ik niet meer het zonnetje in huis. Hopelijk zijn onze andere dieren net zo blij met deze aanwinst als wij.

Kajafas

Kajafas (Kαϊάφας) was de schoonzoon van de hogepriester Annas (Joh.18:13) en behoorde naar alle waarschijnlijkheid tot de partij van de Sadduceeërs. Zijn volledige naam was Jozef Kajafas.

Kajafas was hogepriester van 18 n.C., tot hij in 36 n.C. als hogepriester door de Romeinen werd afgezet en werd opgevolgd door Jonatan, de zoon van Ananus. Dat hij 18 jaar lang het ambt van hogepriester bekleedde is bizonder omdat de verschillende hogepriesters elkaar in de eerste eeuw in snel tempo afwisselden. Zo waren er alleen al in de periode van 4 v.C. tot 67 n.C. 28 verschillende hogepriesters geweest (Josephus, Antiquitates, XX x,5). Dit kwam omdat de Romeinse stadhouders al naar gelang de politieke omstandigheden hogepriesters aanstelden dan wel afzetten. We kunnen dus, gezien zijn lange periode, aannemen dat Kajafas, zoals trouwens de meeste Sadduceeërs, op de hand van de Romeinen was en volgens de opinie van de Romeinen een politiek rustbrengende factor was.

Zoals we de afgelopen dagen hebben gezien, was Kajafas nauw betrokken bij de veroordeling van Jezus door het Sanhedrin en hij was ook degene die de Joden adviseerde dat het nut was, dat één mens voor het volk stierf (Joh.11:50; 18:14).

Pasen: de geestelijke rechtbank (5)

Kajafas laat nu verder alle beschuldigingen, die de valse getuigen naar voren hebben gebracht, rusten. Het gaat nu om de hoofdvraag: ‘Ik bezweer U bij de levende God dat U ons zegt of U de Messias bent, de Zoon van God?’ (Mat 26:63).

De formulering die Kajafas gebruikt "Ik bezweer U bij de levende God " is de gebruikelijke die in een rechtzaak wordt gehanteerd. De rechter spreekt de eedsformule uit, de beklaagde antwoord bevestigend. Op deze vraag een bevestigend antwoord geven, betekent de dood en de verlossing van Zijn volk, een ontkennend antwoord betekent waarschijnlijk Zijn vrijlating, maar in ieder geval de vernietiging van Zijn volk. Christus geeft dan ook het enige antwoord dat afdoende is: ‘U hebt het gezegd.’

Eenmaal eerder had Christus dit aan zijn discipelen in het geheim meegedeeld (Mat 16:15-20), nu verkondigd Hij het openlijk aan de vertegenwoordigers van het volk. Maar voegt er ook iets aan toe: ‘Maar Ik zeg u: vanaf nu zult u de Mensenzoon zien, gezeten aan de rechterhand van de Macht en komend op de wolken van de hemel.’ (Mat 26:64; Mark 14:52). Dit is een verwijzing naar de profetie (Ps 110:1; 118;11; Dan 7:13).

Het Sanhedrin heeft in spanning toegeluisterd. De beslissende uitspraak is gekomen, en Kajafas roept uit: ‘Hij heeft God gelasterd. Waarvoor hebben we nog getuigen nodig? U hebt nu toch de godslastering gehoord. Wat vindt u?’ (Mat 26:65). Het misdrijf is dat Hij God lasterde en daarop staat maar één straf: ‘Hij verdient de doodstraf.’ (Lev 24:16). Slechts één man stemt hier niet mee in: Jozef van Arimathea (Luk 23:51), zeer waarschijnlijk tot grote ergenis van de anderen.

donderdag, februari 23, 2006

Geen Tolerantie voor het Museum van Tolerantie

Een Israëlische rechtbank heeft vandaag gelast de bouw van het "Museum van Tolerantie" te stoppen, omdat in de buurt schijnbaar een moslim begraafplaats is. De klacht is ingediend door "Karameh," welke zowel de families van de begraven personen als "Al-Aqsa"-beweging vertegenwoordigt.

Hoewel de moslims de afgelopen jaren tientallen joodse begraafplaatsen hebben geschonden, het zelfs niet noodzakelijk vonden om vooraf de Israëlische autoriteiten of het
Simon Wiesenthal Center in te lichten. Ook vonden deze moslims het niet noodzakelijk om de afgelopen 3o jaar in te grijpen, toen dit stuk land als parkeerplaats werd gebruikt.

Ook hier zien we weer een absolute intolerantie houding tegen alles wat te maken heeft met herinneringen aan de Holocaust.

De krant Arutz Sheva heeft een reactie van het Simon Wiesenthal Center opgenomen.
Update 25 Feb 2006: Haaretz, It's not a question of tolerance, but of wisdom

woensdag, februari 22, 2006

Pontius Pilatus

Pontius Pilatus was van ± 26-36 n.Chr. de Romeinse procurator van het voormalige koninkrijk van Archelaüs, dat delen van zowel Judea als Samaria omvatte. In deze functie was hij ondergeschikt aan de stadhouder van Syrië, maar binnen zijn eigen gebied bezat hij zowel de administratieve, als de juridische en de militaire macht.

Over zijn leven, buiten zijn bestuursperiode in Palestina, is niets bekend. Gezien zijn functie moet hij tot de Romeinse ridderstand hebben behoord. Pontius was de naam van het geslacht waartoe hij behoorde, Pilatus was de familienaam. De voornaam van Pontius Pilatus is ons onbekend.

In de Joodse bronnen (Philo, Legatio ad Caium, xxxviii) wordt Pilatus als een meedogenloos en gewetenloos mens afgeschilderd. Hij was een vrij tactloos man, met een duidelijke minachting voor de Joden. Dit blijkt onder andere uit het feit dat hij bij het begin van zijn regering Romeinse legerstandaarden, waarop een portret van de keizer stond afgebeeld, in Jeruzalem liet binnenbrengen, waarmee hij de Joden, die het afbeelden van mensen als een eerste stadium van afgoderij beschouwden, direct tegen zich in het harnas joeg. Direct daarna liet hij beslag leggen op de omvangrijke tempelschatten om de aanleg van een aquaduct naar de stad te kunnen bekostigen. Tijdens een grote demonstratie tegen deze heiligschennis mengden zich zijn soldaten, verkleed als burgers, maar gewapend met knuppels, onder de massa. Op Pilatus’ teken sloegen zij op de menigte in, waarbij velen ernstig werden verwond (Josephus, Bellum Judaicum, II, ix, 169-177).

Ook is, dankzij Josephus, bekend op welke manier Pilatus uit zijn functie werd ontslagen. Een Samaritaanse pseudomessias beweerde, dat hij gouden voorwerpen uit de tabernakel had ontdekt die Mozes op de berg Gerizim had verborgen (dit is natuurlijk onzin omdat Mozes het land Kanaän nooit had betreden). Toen de vele met goudskoorts beluste Samaritanen zich op de berg verzamelden om deze schatten te gaan zoeken, liet Pilatus hen vanuit een hinderlaag overvallen. Hierbij vielen zoveel doden, dat de Samaritanen hun beklag indienden bij Vitellius, de stadhouder van Syrië, over deze onnodige wreedheid. Hierop werd Pilatus ontslagen en naar Rome gestuurd om zich voor keizer Tiberius te verantwoorden. Echter voordat Pilatus in Rome aankwam, was Tiberius al overleden(37 n.Chr.). Over een eventueel proces is ons dan ook verder niets bekend. (Josephus, Antiquitates, XVIII, iv, 85-89).

Pasen: de geestelijke rechtbank (4)

De vorige keer hebben we gezien dat Kajafas de rechter was, eerder hebben we al geconstateerd dat Annas tevergeefs heeft geprobeerd een beschuldiging te vinden. Nu probeert de gehele raad het, ze zoeken een getuigenis tegen Jezus (Mat 26:59). Het moet iets zijn, waarop de doodstraf staat. Het vonnis staat immers al vast: sterven moet Hij (Mark 14:55). Echter ook zij vinden niets (Mat 26:59).

Er moeten dus andere maatregelen worden getroffen, boden zijn uitgezonden om mensen te vinden, die bereid zijn een (vals) getuigenis, desgewenst een valse eed, af te leggen. Een goede beloning zal hun wel in het vooruitzicht zijn gesteld (cf. de beloning die Judas kreeg), het was dan ook niet moeilijk om velen te vinden die op deze manier een extraatje konden verdienen (Mat 26:60).

Het verhoor kan nu beginnen, in de grote zaal van het huis van Kajafas, die open is naar de zijde van de binnenplaats, is het Sanhedrin vergaderd. Bij het verhoor blijkt dat er alleen valse getuigen zijn, die ook nog eens in tegenspraak met elkaar zijn (Mark 14:56). Echter volgens de Mozaïsche wetgeving moeten er minstens twee getuigen zijn die eenzelfde verklaring afleggen (Deut 17:6).

Tenslotte komen er toch twee, wier getuigenis een beetje op elkaar lijken. De één verklaart: ‘Die man heeft gezegd: “Ik kan de tempel van God afbreken en in drie dagen opbouwen.” ’ (Mat 26:61), terwijl de ander verklaart: ‘We hebben Hem horen zeggen: “Ik zal deze door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen, die niet door mensenhanden gemaakt is.” ’ (Mark 14:58). Geheel hetzelfde is dit niet, bovendien zijn deze getuigenissen nog vals ook, want Christus heeft niet gesproken over "Ik kan" of "Ik zal", ook heeft Hij niet gesproken over een tempel, met handen gemaakt. Letterlijk had Hij gezegd: ‘Breek deze tempel af, en in drie dagen laat Ik hem herrijzen!’ ‘Met dit woord doelde Jezus echter op de tempel die Hijzelf was.’ (Joh 2:19, 21). Ook op de Joden heeft dit een diepe indruk gemaakt, tot tweemaal toe komen zij er op terug: bij het kruis (Mark 15:29) en bij Stefanus (Hand 6:14). Zij hadden heel goed begrepen, wat de ware betekenis was. Dit blijkt, wanneer zij na de dood van Christus naar Pilatus gaan, met het verzoek, het graf te verzegelen en er een wacht bij te zetten: ‘Heer, wij moesten eraan denken dat die misleider tijdens zijn leven gezegd heeft: “Na drie dagen zal Ik tot leven gewekt worden.” ’ (Mat 27:63).

Als de getuigen gehoord zijn, staat Kajafas op en vraagt de mening van Christus, of die er nog wat toe doet. Ook nu, met een schijn van oprechtheid, probeert men Christus een antwoord te ontlokken. Deze zwijgt echter, het is geen rechtbank, geen verhoor, het is alleen een opgevoerd theaterstuk en daaraan wenst Christus geen medewerking aan te verlenen. Dit zwijgen irriteert Kajafas en tenslotte vraagt hij: ‘U antwoordt niets? Wat brengen ze wel niet tegen U in?’ (Mat 26:62), waarop van Christus' kant een verder stilzwijgen komt.

Pasen: Internetresources kalenderberekening

Hieronder een kort overzicht van een aantal websites die zich bezighouden met de berekening van Pasen. Natuurlijk is deze verre van compleet, daarom als jullie aanvullingen hebben laat het me weten.

maandag, februari 20, 2006

Pasen: de geestelijke rechtbank (3)

Na de beïndiging van het voorverhoor laat Annas Christus opnieuw binden (Joh 18:24) en zendt Hem naar het Sanhedrin (Mat 26:57; Mark 14:53; Joh 18:24). Het vreemde is dat de officiële zittingszaal niet wordt gebruikt. De leden worden verwacht (op aangeven van de boden?), in het huis van de hogepriester Kajafas. Waarschijnlijk is dit gebeurd om zo min mogelijk ruchtbaarheid te geven aan het publiek. Echter door de keuze van deze plaats, is de zitting onwettig.

In de nacht spoeden de leden van het Sanhedrin zich door de straten van Jeruzalem naar het huis van Kajafas, want de zitting met zo snel mogelijk beginnen. Ook dit is onwettig: Een zitting, waarin belangrijke zaken zoals die van Christus behandeld werden, moest bij dag beginnen en bij dag eindigen. Bovendien is het zeer de vraag geweest, of de drie en twintig leden, die bij zul een zitting minimaal tegenwoordig moesten zijn, wel aanwezig zijn geweest.

Krachtens zijn ambt van hogepriester is Kajafas voorzitter van het Sanhedrin. Zoals reeds eerder gezegd, is Kajafas de schoonzoon van Annas en behoort ook hij tot de partij der Sadduceëers. Ook is hij degene geweest, die de Joden geadviseerd had, dat het van nut was, dat één mens voor het volk stierf (Joh 18:14). Dat was geweest, toen het Sanhedrin, na de opwekking van Lazarus (de broer van Maria), beraadslaagde, wat zij met Christus doen zouden (Joh 11:47-48). Kajafas is dus de rechter en de taak van een rechter is, de beklaagde te ondervragen, de getuigen te verhoren, en daarna de mate van straf te bepalen. Echter bij deze rechter staat het vonnis reeds van te voren vast. Bij hem geen zoeken naar het recht. Bij hem is alleen maar zoeken naar datgene, wat het van te voren vaststaande vonnis mogelijk zal maken.

De beklaagde is Christus, God en mens, die gekomen was om Zijn leven te geven voor de zijnen.

zondag, februari 19, 2006

Autorijden in Israël

Laatst toen ik in Israël was, viel het me weer op hoe heerlijk zij daar rijden. Ik geloof nog wel dat er verkeersregels zijn, maar daar hoef je je niet aan te houden. Toeteren doe je alleen om politieagenten te stangen en rechts inhalen behoort tot de mogelijkheden. Afsnijden mag, maar alleen als dat voordeel kan bieden.

De volgende link maakt de verschillen tussen het rijden in Nederland of Israël duidelijk (geluid hard zetten ;) http://www.chekroun.org/israelfany.swf

Sanhedrin

Het Sanhedrin was het hoogste gerechtshof van de Joden, ook wel genoemd de Grote of Hoge Raad van het Jodendom. Het telde 70 leden, bestaande uit de hogepriester (als voorzitter), overpriesters (of gewezen hogepriesters) en de schriftgeleerden (als vakmensen).

De naam is afgeleid van het Griekse woord synedrion: vergadering of raadsvergadering. Ook in het oude Griekenland bestonden synedrions (plaatselijke rechtbanken).

Het Joodse Sanhedrin was al in de Perzische tijd actief, maar pas in de Romeinse tijd wordt er, mede door de Bijbel, meer over bekend. Als een Jood ter door veroordeeld werd sprak het Sanhedrin de vorm van steniging uit. Na de bezetting van Israel door de Romeinen mochten zij niet meer de doodstraf uitspreken en moesten zij de verdachte overdragen aan de Romeinse bestuurders, welke indien ook zij de verdachte schuldig bevonden de persoon kruisigden. In de Talmud wordt beschreven, dat wanneer het Sanhedrin eens in de zeventig jaar een ter doodveroordeling uitsprak, dit genoeg was om de rechters moordenaars te noemen.

De zittingszaal van het Sanhedrin was gelegen aan de Zuid-West-zijde van het tempelplein te Jeruzalem, half op gewijde, half op ongewijde grond. Twee deuren gaven toegang, één van het tempelplein en éé'n van de stad uit. Na de verwoesting van de tempel verplaatst men de vergaderingen naar Jamne en Tiberias. In 425 n. Chr. wordt het Sanhedrin opgeheven.

In oktober 2004 ziet in Tiberias een nieuw Sanhedrin het licht. Welke grotendeels bestaat uit ultraorthodoxe joden.

zaterdag, februari 18, 2006

Shamma, de zoon van Age

Shamma was één van de helden van David (2 Sam 23:11; 23:25; 23:33; 1 Kron 11:44) en de zoon van Age (2 Sam 23:11). De naam van de vader Age אָגֵ֖א betekent "vluchteling" van אָגָא welke net als in het Arab. اَجَأَ "vluchten" betekent. Blijkbaar was deze man gevlucht uit Harar (uit Ethiopië). De naam van de zoon Shamma, of Samma, שַׁמּ ה betekent "woestijn, desolaat". Hoewel de naam vaker voorkomt in de Bijbel (Gen 36:13, 17), zoals de broer van David (1 Sam 16:9) blijft het een vreemde naam. Was Age gevlucht en had hij zijn zoon Shamma in de woestijn gekregen? Ik kon daar niet achterkomen.

In ieder geval was deze Shamma, niet zo'n vluchteling als zijn vader, in de Bijbel wordt verhaald dat hij in de buurt van een dorp לַחַיָּה (lachayyah, zie ook vertaalnoot 15 van de NetBible) een akker verdedigde, waarop linzen (2 Sam 23:11) of gerst (2 Kron 11:23) werden verbouwd. En dat bij deze aktie de Filistijnen met succes werden teruggeslagen.

Anti antisemitisme

איך גלויב אין דער זונ,
אפילו ווען זי שיינט ניט׃
איך גלויב אין דער ליבע,
אפילו ווען איך פיהל איהר ניט,
איך גלויב אין נאט,
אפילו ווען ער שווייגט״

Ik geloof in de zon,
ook als ze niet schijnt.
Ik geloof in de liefde,
ook als ik die niet voel.
Ik geloof in God,
ook als Hij zwijgt.

Op de muur in een kelder in Keulen geschreven, war zich gedurende de oorlog verschillende Joden zich verborgen hielden.

Pasen: De klap in het gezicht (Joh 18:22, 23)

De vorige keer zagen we dat Annas zijn terechtwijzing van Christus heeft ontvangen. Niets kan hij er tegen inbrengen. Wat Jezus heeft gezegd, is waar. Het recht is aan Zijn zijde. Maar behalve recht is er ook nog macht. En de macht onderwerpt zich zelden aan het recht. Wanneer iemand, die de macht heeft, geen gelijk kan krijgen, dan begint hij met zijn vuisten. Dat gebeurd bij kleine jongens, dan doen ook de volken, zo ook hier. Één van dienaren van Annas, die daarbij staat geeft Christus een klap in het gezicht (de kinnebakslag in de SV) en schreeuwt tegen Hem: ‘Is dat een manier om de hogepriester te antwoorden?’ (Joh 18:22).

De waarheid, die onaangenaam is om aan te horen, wordt uitgemaakt voor brutaliteit. Misschien was de reden van deze handelswijze van de dienaar om een wit voetje te halen bij de hogepriester, maar wat hij deed was onrecht. Echter ook wat Annas doet is onrecht, hij doet namelijk niets. Iedere beklaagde staat, ook voor zijn rechter, onder bescherming van de wet. Daarom is het onrecht dat Annas niet ingrijpt, hij doet niets om Christus te beschermen. Hij bestraft zijn dienaar niet, hij laat hem rustig doorgaan met de mishandeling.

Daar Annas zijn dienaar niet tot de orde roept, doet Christus het: ‘Als Ik iets verkeerds gezegd heb, zeg dan wat er verkeerd was, maar als het juist is wat Ik heb gezegd, waarom slaat u Me dan?’ (Joh 18:23).
Het is mogelijk dat deze dienaar er al eerder op uitgezonden was om Christus te grijpen (Joh 7:32, 45, 46), als hij dan iets verkeerds had gehoord, zeg dan wat er verkeerd was, hij had kunnen getuigen richting Annas, dat was beter dan slaan. Maar als het juist is wat Ik heb gezegd wat is dan de reden om Christus te slaan, maar ook op deze redenering van Christus zwijgt Annas.

Het resultaat is dat hiermee het voorverhoor ten einde is. Het heeft geen resultaten opgeleverd. Een punt van aanklacht heeft het niet aan het licht gebracht. Zonder een enkele beschuldinging staat Christus voor Annas. Zonder een enkele aanklacht wordt hij gestuurd naar het Sanhedrin.

vrijdag, februari 17, 2006

Glaasje draaien in de klas

Enige maanden geleden was christelijk Nederland in rep en roer in verband met het boekenweek thema Magie. Veel ouders kwamen in verzet daar zij dit niet konden verenigen met hun geloof. Gezien de publiciteit rondom dit thema is het verwonderlijk dat de scholiere Veerle Tennekes het Rooms Katholieke Jeroen Bosch College in ’s-Hertogenbosch verlaat vanwege de kritiek die zij over zich heen kreeg na haar protest tegen een demonstratie glaasje draaien tijden een les levensbeschouwing.

Het is totaal onbegrijpelijk dat niet alleen de mentor en de rector maar ook de godsdienstleraar van de Bossche school geen enkel begrip hadden voor de bezwaren van Veerle. De rector vindt dat de leerlingen verstandig genoeg zijn om het glaasje draaien te relativeren. Veerle en haar ouders zien echter een groot gevaar in het oproepen van geesten, ook al gebeurt dat als voorbeeld in een les levensbeschouwing.

Glaasje draaien is het oproepen van geesten, iets wat zwaar verboden is in de Bijbel, Houd u ver van mediums en waarzeggers, want Ik ben de Here uw God! (Lev. 19: 31, Het Boek) Het is dan ook vreemd dat op een Rooms Katholieke school, die dus volgens de naamgeving christelijk is, een godsdienstleraar, die dus op de hoogte moet zijn van wat er in de Bijbel staat, stelt "dat hij niet in geesten geloofd", hij zelfs verplicht dat leerlingen deze les volgen, ook als hebben ze principiële bezwaren (dat hij het wel respecteerde, maar dat ik [=Veerle] er toch bij moest blijven zitten). Nog gekker wordt het, als blijkt dat hij tegen de ouders van de leerling zegt "dat er helemaal geen glaasjes werden gedraaid" terwijl andere leerlingen die in de les aanwezig zijn stellen "dat er toch glaasjes waren gedraaid". Blijkbaar houdt deze docent er een andere waarheid er op na, dan anderen.

In de Nederlandse grondwet wordt nog steeds onze vrijheid van geloof gewaarborgt, echter op deze christelijk school wordt ook die wetgeving blijkbaar niet meer gerespecteerd, of beter gesteld wel gerespecteerd maar niet nagevolgd. Dit is mijns insziens een logisch gevolg, als men als christelijke school de normen en waarden van de Bijbel al naast zich neerlegt, waarom dan ook niet de Nederlandse wetgeving.

De school mag het dan afdoen als een "STORM IN 'N GLAASJE WATER", maar dan is het wel troebel water. Heel wat overtuigender is de geloofsbelijdenis van Veerle, die ze in haar afscheidsbrief schreef:

Ik wil ook nog even zeggen wat ik geloof, en waarom ik niet mee wou doen aan glaasje draaien en spiritisme etc. Ik geloof in God, en ook dat Hij mij geholpen heeft in de tijden wanneer ik het zwaar had, en het moeilijk voor mij was, bijvoorbeeld bij de levensbeschouwingles. Ik geloof ook dat God van ieder mens houd, en dat God je zo dicht mogelijk bij je wilt houden, ook al ervaar je dat misschien niet. Ik geloof ook dat de duivel dat probeert tegen te houden, en dat hij dat probeert door middel van geesten oproepen, bijvoorbeeld glaasje draaien. Als je glaasje draait kom je in contact met kwade geesten, en ik wil daar geen contact mee. Ik geloof ook niet dat men goede geesten op kan roepen, omdat ik niet in goede geesten geloof.

Pasen: de geestelijke rechtbank (2)

De Ondervraging (Joh 18: 19-23)
De wijze, waarop Annas met Jezus handelt, is net zo onrechtmatig als de eerder besproken handelswijze van het Sanhedrin. Wanneer iemand gevangen genomen wordt, is daar een bepaalde beschuldiging, op grond waarvan de gevangenneming geschiedt. Het moet dan blijken, of die beschuldiging waar of niet waar is. Al naar gelang daarvan wordt hij veroordeeld of vrijgelaten.
Christus was zonder een bepaalde aanklacht gevangen genomen, na zijn gevangenneming moest die aanklacht nog worden uitgedacht. Dat was de taak van Annas. Annas zegt dan ook niet "Daar en daarvan wordt U beschuldigd. Wat hebt U daar tegen in te berengen?" hij gaat uitzoeken, of hij ook iets vinden kan, dat straks bij de officiële zitting van het Sanhedrin als beschuldiging kan dienen. Met andere woorden: Christus zelf zal moeten zorgen voor Zijn beschuldiging.

Het Verhoor (Joh 18: 19-21)
Over twee dingen ondervraagt Annas Christus: over Zijn discipelen en over Zijn leer (Joh 18:19).

Annas wil weten, wat voor soort mensen de volgelingen van Christus zijn, gaat het alleen maar om eenvoudige vissers en ontslagen tollenaars, maar ook hoever de beweging zich heeft uitgebreid. Het zal hem zeer waarschijnlijk wel jammer hebben gevonden dat die volgelingen ontsnapt waren; dat hij ze niet voor zijn rechterstoel heeft.

In de tweede plaats ondervraagt Annas Christus over Zijn leer. Daarbij is het zijn bedoeling iets te vinden, dat straks als aanklacht dienen kan. Recht was geweest, dat het Sanhedrin de aanklacht vooraf had opgesteld: Dit en dat hebt U daar en toen gezegd. Daarmee bent U in overtreding tegen de wet van Mozes, tegen de wet van de Romeinen. Wat hebt U tot uw verantwoording hierover te zeggen?

Christus is geleid voor een particulier persoon, met wie Hij, en die met Hem, niets te maken heeft. Die man tracht onder een valse schijn van recht, Hem zijn eigen aanklacht te ontlokken. Met dat onrechtmatige gedoe wil de Here Jezus niet te maken hebben. In plaats van een antwoord ontvangt Annas dan ook een terechtwijzing: ‘Ik heb in het openbaar tot de wereld gesproken. Ik heb steeds onderricht gegeven op plaatsen waar de Joden bij elkaar komen, in synagogen en in de tempel, en nooit heb ik iets in het geheim gezegd. Waarom ondervraagt u mij? Vraag het toch aan de mensen die mij gehoord hebben, zij weten wat ik gezegd heb.’ (Joh 18:20-21).

Ik heb in het openbaar gesproken: Tegenover de slimheid van Annas plaats Christus de open feiten: Hij heeft gepreekt in de sysnagogen van Galilea en in de tempel van Jeruzalem, waar iedere Jood vrije toegang heeft.

Waarom ondervraagt u mij?: Met andere woorden, dit is niet uw taak, dat is vragen naar de bekende weg. Wil het Sanhedrin een beschuldiging opmaken, laat het die dan zelf samenstellen op grond van een getuigenverhoor.

donderdag, februari 16, 2006

Pasen: de geestelijke rechtbank

Een van de boeken die ik regelmatig pak bij mijn studies rondom het lijden van Christus is die van I. Snoek "Het lijden en sterven van den Middelaar". Hoewel het niet een volledig beeld schetst, is de meerwaarde dat het systematisch alle teksten in een chronologische volgorde zet en in het kort steeds enige achtergrondinformatie geeft. Aan de hand van dit boek wil ik dan ook de komende weken de lijdensgeschiedenis bespreken.

Christus is na zijn gevangenneming als eerste voorgeleid aan het Sanhedrin, te vergelijken met een geestelijke rechtbank.

Het Voorverhoor (Luk 22:54a; Joh 18:13, 19-23)

Het Doel.
De personen, betrokken in de zaak tegen Jezus van Nazareth, zijn door de gebeurtenissen na de inhechtenisname van Christus wel wat overrompeld. De komst van Judas, het uittrekken van de tempelwacht, de aankomst van de gevangene is allemaal snel in zijn werk gegaan.

Enerzijds is hun dit in het voordeel. Indien enigszins mogelijk, dan moet nog in dezelfde nacht vóór de stad ontwaakt, het vonnis geveld zijn. Hierdoor zouden de aanhangers van de Nazarener geen gelegenheid krijgen, Hem te bevrijden of een opstand te verwekken. Daarom moet snel worden gehandel.

Een verhoor door het Sanhedrin is nog niet mogelijk, daar de leden van de Raad nog niet bij elkaar zijn. Daarom wordt Christus in de tijd, die verloopt tot de officiële zitting geopend kan worden, een voorverhoor afgenomen. Daar kunnen vast enkele punten van beschuldiging worden vastgelegd.

De Ondervrager (Joh 18:13).
De persoon, die dit verhoor afneemt, is Annas. Deze persoon is invloedrijk, scherpzinnig, listig en haatdragend. Hij zal trachten het werk in het Sanhedrin straks te vergemakkelijken. Annas is daarop gebrand. Ondanks zijn hoge leeftijd (70 jaar), is hij midden in de nacht der gevangenneming ter beschikking.

Dit is het eerste onrechtmatige in de rechtzaak. Het Sanhedrin had de bevoegdheid, iemand gevangen te nemen. Maar het Sanhedrin had niet het recht, om de ondervraging van een gevangene op te dragen aan een particulier persoon, al maakte die persoon dan ook aanspraak op de titel van hogepriester.

Het afnemen van het verhoor was het recht en de plicht van het Sanhedrin. Die plicht kon aan niemand worden overgedragen. Een rechter kan niet iemand, die hij daarvoor uitkiest, belasten met het verhoor van een verdachte. Dat moet hij zelf doen.

De Plaats (Luk 22:54a).
De ondervraging vindt plaats in het huis van de hogepriester. Waarschijnlijk bestond dit huis uit een complex van gebouwen, opgetrokken rond een gemeenschappelijke binnenplaats. Op de binnenplaats legert zich de tempelwacht en leggen een kolenvuur aan. In een zaal van de woning vindt het verhoor plaats.

Evangelisch Werkverband zoekt pioneers!

Het Evangelisch Werkverband vormt een werkverband van predikanten en gemeenteleden, die deel uit maken van de Protestantse Kerk Nederland. Hun missie is biddend zoeken naar en meewerken aan geestelijke vernieuwing binnen de Protestantse kerk in Nederland, opdat deze, gericht op Gods heerlijkheid, in gehoorzaamheid aan haar Heer Jezus Christus en in de kracht van de Heilige Geest, haar roeping in de wereld kan vervullen.

Terwijl veel stichtingen altijd om geld vragen, heeft het EWV, vanuit de hierbovengenoemde visie de volgende uitdaging bedacht:

Win 1000 euro. Doe mee met de pioniers-uitdaging! om je droom werkelijkheid te laten worden!

De Protestantse Kerk in Nederland wil overgaan tot het stichten van nieuwe vormen van gemeente zijn. Het Evangelisch Werkverband wil hierin actief stimuleren en dienen vanuit de visie: “Hoe zou het zijn als elke (wijk-)gemeente in Nederland zwanger wordt van nieuwe visie en een dochtergemeente voortbrengt?”

Dat is de uitdaging voor onze kerk, voor plaatselijke gemeenten, voor u! We willen u aanmoedigen om na te denken over de mogelijkheden in uw eigen gemeente.

Wij nodigen u uit om mee te doen!

Schrijf in max. 1000 woorden (minder mag, meer niet) hoe uw droom eruit ziet: hoe denkt u dat vanuit uw plaatselijke gemeente nieuwe groepen mensen met het evangelie bereikt kunnen worden? Op welke manier zou de gemeente dan te werk moeten gaan?

Stuur uw voorstel voor 1 mei 2006 per post naar Hoofdstraat 260, 3972 LL Driebergen of per email naar kantoor kantoor@ewv.nl. De beste ideeën worden opgenomen in een nieuwe uitgave van het boekje ‘Als de moederkerk zwanger wordt’. Als uw idee er bij is, krijgt u hiervan 50 exemplaren gratis.

Bovendien kiest een jury, bestaande uit bestuursleden van het Evangelisch Werkverband de beste 3 ideeën uit. De winnaars krijgen elk € 1000,00 als projectbijdrage om daarmee hun idee ook werkelijk te helpen vormgeven. Behalve het geldbedrag kan de winnaar ook rekenen op begeleiding bij het opzetten van het project.

Aan u de vraag: in uw woonplaats, in uw gemeente: hoe zou dat gestalte kunnen krijgen? Droom uw droom, schrijf uw visie op en stuur hem zo spoedig mogelijk aan ons toe. Zou het niet fantastisch zijn als over enige tijd uw droom voor de plaatselijke kerk werkelijkheid wordt?

woensdag, februari 15, 2006

Annas, de hogepriester

Een van de hoofdpersonen in de terechtstelling van Christus is de hogepriester Annas. Hoewel op het moment van de terechtstelling Kajafas, de schoonzoon van Annas, hogepriester is, wordt toch gesteld dat ook Annas hogepriester is. Om te voorkomen dat de geestelijke machtshebbers van Israël te veel macht zouden krijgen, hadden de Romeinen ingesteld dat iedere vijf jaar een nieuwe hogepriester moest komen.

Voordat de Romeinen Israël hadden bezet, bekleedde een hogepriester dit ambt voor zijn leven, dat is dan ook de reden waarom Annas zijn titel behield. De Romeinen mochten hem dan wel afzetten, de Joden zagen nog steeds de hogepriester in hem. Hij behoorde, evenals zijn familie, tot de partij der Sadduceërs, en had om die reden een ingekankerde haat tegen Jezus.

Annas zelf was officieël hogepriester van 6 tot 15 na Chr. Verder weten we dankzij Josephus, de bekende geschiedschrijver, naar aanleiding van de dood van Jakobus (de halfbroer van Jezus) in 62 n.C., het volgende: En Caesar, horende van de dood van Festus, zond Albinus naar Judea, als stadhouder. Maar de koning ontzegde Jozef het hogepriesterschap, en wees de opvolging van die waardigheid toe aan de zoon van Annas, die zelf ook Annas genoemd werd. Nu gaat het verhaal dat de oudste Annas een zeer rijke man was, want hij had 5 zonen die allen het hogepriesterschap hadden uitgeoefend, en zelf had hij die waardigheid tevoren bekleed, hetgeen nog nooit eerder was voorgekomen. Ook is bekend dat voordat zijn schoonzoon Kajafas hogepriester werd vijf van zijn zonen deze functie in het Sanhedrin vervulden.

Cosmogonie een vorm van Intelligent Design?

De afgelopen maanden is er een ware hype rondom het fenomeen Intelligent Design (ID) ontstaan. In de nieuwsbladen wordt het vooral als een opponent van de evolutieleer neergezet. Zonder in te gaan op de voor en tegens van ID, viel het me op dat de basis van deze theorie niets anders was dan een moderne versie van een cosmogonie. Het leek me dan ook interessant, om te kijken wat voor denkbeelden de wetenschappers uit de oudheid hadden.

Een cosmogonie, is een theorie of een leer die aangeeft hoe het heelal is ontstaan. Vooral in de oudheid hadden deze een duidelijk religieuze ondertoon. Tegenwoordig zien wij ze vooral terug in (pseudo-)wetenschappelijke boeken, van waaruit geleerden een cosmologie (de wetenschap of theorie van het heelal als een geordend geheel beschouwd) proberen te bewijzen.

Wat opvalt aan al deze cosmogonieën uit de oudheid dat zij zwaar verweven zijn met hun religie. De wereld en soms ook het heelal is gemaakt in samenstel met verschillende goden. In de griekse mythes ontstond uit de Duisternis de Chaos en uit Chaos ontstond vervolgens Eurynome, de godin van alle dingen, maar toen ze niets vond om haar voeten op te zetten maakte ze scheiding tussen hemel en aarde en ze danste uit alle lust over de wateren. Uit deze wilde dans ontstonden de verschillende winden. Zwanger geworden van een van deze winden (Boreas de Noorderwind) legde ze een Ei, waaruit uiteindelijk de zon, maan, planeten, sterren en de aarde ontstonden.
Deze mythe is waarschijnlijk afgeleid van een andere en oudere mythe van Babylonische oorsprong: de "Enuma Elish". Het begin hiervan is: Toen boven in de hemel nog niets was benoemd en de aarde beneden nog geen naam droeg, en de eerste Apsu, die ze ontving, en chaos, Tiamat, de moeder van hen beiden. Hun wateren werden door elkaar gemixed, en geen veld was gevormd en geen moeras werd gezien; toen de goden nog niet waren geroepen in existentie, en niemand een naam droeg en geen lotsbestemmingen waren. Toen werden de goden geschapen in het midden van de (hemel). Het vervolg vermeld dat Anu wordt geboren uit deze oerzee en de voorvader wordt van alle goden en mensen.

Bij een bestudering van deze mythes blijkt dat zij niet enig zijn, zo zijn er bij de Grieken alleen al een vijftal verschillende scheppingsverhalen te onderscheiden en bij de Babyloniërs zien we afhankelijk van de locatie invloeden van Sumeriërs en andere oudere volken terug in hun scheppingsverhalen. Ook bij de Egyptenaren zien wij meerdere varianten terug.
Wat opvalt, is dat in al deze verhalen er sprake is van minimaal twee goden, van waaruit de andere goden en de rest van het universum ontstaat. Nu zijn er twee scheppingsverhalen waar dit niet zo is. De eerste komt voor in de Egyptische religie van de zonnegod Amon. Deze godsdienst welke in eerste instantie een van de vele locale godsdiensten was binnen Egypte won aan belangrijkheid tijdens de regering van farao Thutmoses II, door diens opvolger farao Akhenaten werd deze religie tot staatsgodsdienst verheven en de priesters van andere religies zoals die van Re verdreven. Om dit te verwezenlijken werd de godsdienst behoorlijk gereviseerd, elementen uit andere godsdiensten werden geïntegreerd of geëlimineerd, en het scheppingsverhaal werd omgebouwd tot een monotheïstisch stuk poëzie. Het moge duidelijk zijn dat de religieuze bewoners van Egypte deze hervormingen niet aanvaarden, de farao kwam op "vreemde" wijze aan zijn eind en zijn afbeeldingen werden overal verwijderd.
De enig andere, is het scheppingsverhaal welke in de eerste 2 hoofdstukken van Genesis voorkomt. Vergeleken met de hiervoor genoemde scheppingsverhalen, doet deze erg sober aan. Naast een opschrift bestaat bijna het gehele eerste hoofdstuk uit opsommingen hoe de wereld werd geschapen, met af en toe een opmerking dat het goed of zeer goed was, of met een nadere opdracht zoals "Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde". Een naam van de Schepper wordt in het eerste hoofdstuk zelfs niet gegeven, er wordt alleen gesteld dat "Elohim" (God) de Schepper is.

dinsdag, februari 14, 2006

Eben Haëzer

In de bijbel en vooral in het Oude Testament lees je over opgerichte en gewijde stenen. De desbetreffende bijbelgedeelten zijn meestal gekoppeld aan het volk van God, aan Israël. In het Hebreeuws wordt voor beide begrippen het woord masséba gebruikt; dit komt in het Oude Testament herhaaldelijk voor.

De meeste gewijde stenen die genoemd worden zijn voorwerpen, die God ten strengste verbiedt aan Israël. Zij behoren bij de afgodendienst van de heidense volken, met name van de bewoners van Kanaän, die het volk Israël bij zijn intocht moest uitroeien (Lev. 26:1; Deut. 12:3-5; 2 Kon. 17:9-12). Dat opgerichte stenen ook een andere betekenis kunnen hebben, blijkt uit tekstgedeeltes als Genesis 35:14-15, Jozua 4:l-9, 1 Samuël 7:12 en Jesaja 19: 19 en 20.

Een van deze opgerichte stenen uit de laatste categorie is die van Eben Haëzer. Het volk van Israël versloeg in de woestijn de Filistijnen en uit dankbaarheid richtte Samuël een steen op “de steen der hulp”, de vertaling uit het Hebreeuws voor “Eben Haëzer”. Samuel sprak toen: “tot hier heeft de Heer ons geholpen”.

Zeer waarschijnlijk is de plaats ‘Izbet Sartah de plaats waar het vroegere Eben Haëzer lag. Het ligt een paar kilometer van het vroegere Afek. Een van de interessantste opgravingen is de ostracon van ‘Izbet Sartah (1200-1000 v.C.). Op de blog Daily Hebrew is een aardig artikel geschreven over de ‘Izbet Sartah Ostracon, verdere gedetaileerde informatie is te vinden in het artikel van Stephen E. Broyles.

maandag, februari 13, 2006

StudieBijbel: Aktiekorting

Bij deze wil ik nogmaals de aandacht vestigen op de StudieBijbel. Zoals uit onderstaand bericht blijkt geven ze op dit moment korting, reden om dus nu de delen aan te schaffen.

Tijdelijke Actie!! 20% korting + gratis CD-ROM t.w.v. 350 euro

Het Centrum voor Bijbelonderzoek is een grootscheepse actie gestart om de voor Nederland unieke Studiebijbel-commentaren breder bekend te maken. In dit verband lopen er scherpe aanbiedingen. Op onze website www.studiebijbel.nl vind u alles over de inhoud of klik hier voor uitleg van de digitale uitgave van het NT. Mocht u al bekend zijn met onze publicaties, stuur dit bericht dan eens door naar uw vrienden.

Tijdelijke Actie!! Loopt tot eind maart

Bij aankoop van de 17-delige serie Studiebijbel NT en betaling ineens ontvangt u tijdelijk niet alleen 20% korting (nu voor 761,60 in plaats van 952 euro), maar ook gratis de CD-ROM SBNT ter waarde van 350 Euro. (de actie loopt zolang de drie delen die op een herdruk wachten niet geleverd kunnen worden. Na verschijnen worden deze u trouwens kosteloos toegestuurd). Klik hier voor meer info of om te bestellen.

Pasen: de geseling

Iedereen weet dat Christus gegeseld is, maar weinigen beseffen wat dat betekende. In het oude Rome werd de kruisiging bijna altijd voorafgegaan door een soort traditioneel voorprogramma: de behandeling met de "flagrum" ook wel "flagellum" genoemd, de Romeinse zweep. Uit oude Romeinse muntstukken blijkt dat de flagrum het symbool was van Sol de zonnegod.

De flagrum was gemaakt van twee of drie leren riemen verbonden met een kort handvat. Aan de riemen waren een aantal kleine stukken van metaal, gewoonlijk zink en ijzer, of de voetwortelbeentjes van een schaap bevestigd, zodat bij de geseling de huid van de misdadiger snel open geranseld wordt. Soms werd aan het einde van de riemen een haak bevestigd, met de angsaanjagende naam "de schorpioen". Met dit verschrikkelijke instrument werd de huid van de veroordeelde letterlijk aan flarden geslagen.

In tegenstelling tot de Joodse wetgeving, waar het aantal van de slagen door geseling veertig min één was (Deut. 25:3), kenden de Romeinen geen beperking in het aantal slagen.

De veroordeelde werd geheel naakt met touwen aan een stenen pilaar gebonden. De armen gestrekt omhoog, het gezicht naar de pilaar. Er waren meestal twee soldaten (de lictors) die de geseling uitvoerden en ze sloegen om beurten met de flagrum. De slagen werden systematisch toegediend vanaf de schouder tot en met de kuiten en het aantal liep soms wel op tot honderd slagen. Er was slechts een beperking, de gegeselde moest blijven leven, daarom moest de verantwoordelijke centurion toezien of de veroordeelde nog meer slagen kon verdragen of niet.

Na de geseling zat er praktisch geen huid meer op het slachtoffer, die dan meestal bewusteloos aan de touwen hing, om­ringd door een grote plas bloed. De beschadiging van de huid en de kneuzingen van het spierweefsel is te vergelijken met een zware verbranding van het lichaam (vandaar dat de flagrum het symbool was van de zonnegod?). Deze verwondingen zijn dan ook zonder medische hulp na enkele uren tot dagen dodelijk.

Het is niet voor niets dat Cicero de kruisiging de meest extreme en ultime straf van slaven (servitutis extremum summumque supplicium, Against Verres 2.5.169) noemde, en de "wreedste en meest afschuwelijke straf (crudelissimum taeterrimumque supplicium, ibid. 2.5. 165).

Hazelelponi (1 Kr. 4:3)

In de geslachtregisters van kronieken, voorafgaand aan het gebed aan Jabez vinden we een aantal namen van personen met vreemde namen. Ik heb me dan ook regelmatig afgevraagd of het gebed van Jabez niet te maken heeft met zijn voorgeslacht.

Een van de namen is Hazelelponi (1 Kr. 4:3), de dochter van Etam en zus van Jizreel, en Isma en Idbas. De naam Hazelelponi צְלֶלְפּוֹנִי betekent "de schaduw die naar mij kijkt" of "de schaduw op haar gelaat", van צֵלֶל en פָּנָה.

De betekenis van haar naam is het enige wat we over haar weten, ze was zeer waarschijnlijk belangrijk, omdat ze om een één of andere reden in de geslachtsregisters is opgenomen. Volgens een midrash zou ze de moeder van Simson (Juchasin, fol. 10. 2.), maar ook hier wordt weinig verdere uitleg over gegeven.

zondag, februari 12, 2006

Pasen: De Doornenkroon

Een van de vragen die vaak wordt gesteld is, van welke plant of struik is de doornenkroon van Christus gemaakt. Verschillende planten komen hiervoor in aanmerking, echter volgens de christelijke traditie zou het gaan om de Ziziphus spina-christi de jujube, of ook wel de Christusdoorn genoemd. En inderdaad groeit de plant nog op de oostelijke gedeeltes van de berg Moria (= de tempelberg).

De Christusdoorn is een struik die 10 meter hoog kan worden en dan met zijn vele bladeren voor schaduw kan zorgen. Aan het begin van de 3-5 cm lange bladeren zitten de doornen welke 2 cm lang zijn. De bloemen zijn tweeslachtig en geel-groen. De gele vruchten hebben de grootte van kersen en zijn goed eetbaar. Gecultiveerd draagt het prima fruit en er zijn variëteiten zonder doornen.

De meest bekende en ook oudste jujube struik bevind zich in de buurt van Ein Hatzeva in de Arava Vallei en zou volgens sommigen 1000 jaar oud zijn, hoewel anderen ervan uitgaan dat deze struik slechts 300 jaar oud is.

Pasen: de kruisdood

Een van de meest algemene doodstraffen in het Romeinse Rijk was de kruisdood, iedereen in die tijd wist hoe dat ging en wat dat betekende. Het kruisigen is niet een Romeinense uitvinding, maar hebben het overgenomen van de Phoeniciërs, toen zij deze in Carthago overwonnen. Of de Phoeniciërs de uitvinders waren is niet zeker, ook de Perzen hadden een soortgelijke doodstraf, door de misdadigers op een paal te spietsen (Esth. 7:10).

In ieder geval namen de Romeinen, praktisch als ze waren, het over en perfectioneerden het met een wetenschappelijk uitgedachte methodiek om een maximale pijn te veroorzaken en deze dusdanig te doseren dat ze de lengteduur van de doodstrijd konden regelen. Deze vorm van terechtstellen is bijna 1000 jaar in gebruik geweest en werd uiteindelijk in 337 door Constantijn de Grote afgeschaft.

De Romeinen gebruikten de kruisiging als straf, alleen bij ernstige misdaden zoals hoogverraad, moord en desertie uit het leger en werd in het begin vooral toegepast bij slaven en krijgsgevangenen. Romeinse burgers waren bij de wet beschermd voor deze vorm van terechtstelling. Daar de uitvoering van deze straf een openbare gelegenheid was, is het niet verwonderlijk dat bij iedere stad één of meer kruizen permanent stonden opgesteld. Dit is te vergelijken met het schavot en de galg die vroeger in onze streken stonden opgesteld (in Culemborg staat er overigens nog steeds een schavot, bij de kerk).

Het probleem van dit soort openbare terechtstellingen is dat de mensen er aan wennen en de straf devalueert, terechtstellingen gebeurden dan ook in steeds grotere regelmaat. Het werd op een gegeven moment een volksvermaak, massa executies in circussen, arena's die er uit zagen als een woud met kruizen kwam voor. Nadat de Spartacus opstand (71 v.C.) was neergeslagen stonden alleen al langs de Via Appia meer dan 6400 kruizen. Nero liet duizenden kruisigen, waaronder Petrus en Paulus.

vrijdag, februari 10, 2006

De sprinkhaan als voedsel

Van Johannes de Doper lezen we dat hij sprinkhanen at met wilde honing (Mat. 3:4; Mark. 1:6). Volgens de Mozïsche wetten golden sprinkhanen niet als onreine dieren (Lev. 11:22) en het eten van sprinkhanen was dus toegestaan.

Ook tegenwoordig worden ze nog gegeten en hier en daar zijn ze zelfs in de "betere" delicatesse winkel te koop. In de dagen van Johannes de Doper werden ze over het algemeen als toespijs gegeten en met wijn besprenkeld om ze aanlokkelijker te maken. Over het algemeen werden de sprinkhanen het meest gegeten door arme mensen in schrale, onvruchtbare streken, waar niet zoveel ander voedsel te krijgen was. En verder in omstandigheden, dat de oogst door de sprinkhanen of door droogte geheel of gedeeltelijk was mislukt. In het geval van Johannes, zal het ook een teken zijn geweest van een sober en ingetogen leven.

Voor de liefhebbers onder ons vond ik in het boek van I. Snoek 'In Bethlehem en Nazareth' een viertal recepten hoe sprinkhanen genuttigd kunnen worden:

  1. Men eet ze rauw, alleen ontdaan van de vleugels. De dieren kunnen het beste vroeg in de morgen worden gevangen, wanneer ze nog door de koude verstijfd zijn.
  2. Men kan ze koken, door een dichtgenaaide zak vol sprinkhanen in water te doen waaraan wat zout is teogevoegd. Na het koken worden ze gedroogd in de zon en daarna opnieuw in de zak gedaan. Ze kunnen nu lang bewaard. Wil men ze gebruiken, dan worden ze in een mortier gestampt en met zout en gesmolten boter (of honing) klaar gemaakt voor gebruik.
  3. Het is ook mogelijk ze te roosteren, dit gebeurt in een diepe kuil, waarin men een vuurtje stookt. Als er alleen nog maar gloeiende kolen zijn overgebleven, worden de sprinkhanen daarop geworpen. Geroosterd kunnen ze nu ook bewaard worden en volgens de vorige methode verder worden bereid.
  4. Men droogt de sprinkhanen, na vleugels en poten en soms ook de ingewanden verwijderd te hebben, waarna men ze zout en tenslotte maalt en tot brood verwerkt. Dit brood smaakt wat bitter en doet volgens sommige denken aan garnalen. Er wordt daarom wel honing teogevoegd of er bij gegeten.
Lees ook Rabbi Nosson Slifkin, The Feast of Delights, over zijn ervaringen met het eten van sprinkhanen.

Zondag is geen nieuwe sabbat

Afgelopen woensdag sprak Prof. dr. Henk Jan de Jonge, hoogleraar Nieuwe Testament en vroegchristelijke letterkunde aan de Universiteit Leiden, ter gelegenheid van de 431e geboortedag van de universiteit, de volgende rede uit. (Overgenomen uit Reformatorisch Dagblad)

In 321 is de zondag door de Romeinse keizer Constantijn in het gehele Romeinse Rijk bij wet tot een algemene rustdag verklaard. Vragen die Prof. de Jonge zich stelt zijn: Waaraan dankt, historisch gezien, de zondag zijn bijzondere plaats? En waardoor werd het speciaal de zondag die deze plaats kreeg en niet een andere dag?

Overdrijving
Elke achtste dag werd zo veel mogelijk van landarbeid en ander werk vrijgehouden, opdat men naar de markten in de steden kon komen voor koop en verkoop. Op de marktdagen, nundinae, werd er in de steden niet alleen markt gehouden, er vonden ook allerlei publieke evenementen en godsdienstige ceremonies plaats.

Pas in de eerste en de tweede eeuw van onze jaartelling vond in het Romeinse Rijk geleidelijk de zevendaagse week ingang. Dit kwam door een innovatie uit de eerste eeuw vóór onze jaartelling. Een groeiend aantal Romeinen was er toen in de praktijk toe overgegaan niet te werken op de rustdag of sabbat van de aloude zevendaagse week van de Joden. Daardoor werd deze vrije dag als vanzelf het uitgangspunt voor een nieuwe indeling van de tijd, en wel in reeksen van zeven dagen. In deze nieuwe weken werd de zevende dag van de Joden, de rustdag, de eerste dag. Die eerste dag kreeg de naam van de planeet Saturnus, ”dies Saturni”, onze zaterdag.

Allengs werden aan de overige zes dagen de namen van de andere toen bekende planeten gegeven, inclusief de zon en de maan. Zo ontstond de zogenaamde planetenweek. De eerste dag werd dus de genoemde Saturnusdag, de tweede dag de dag van de Zon, de derde dag die van de Maan, de vierde dag die van Mars, de vijfde die van Mercurius, de zesde die van Jupiter en de zevende die van Venus.

Aan het begin van de derde eeuw na Christus kon de Romeinse historicus Cassius Dio met recht verklaren dat de toen volledige planetenweek een cyclus van tamelijk recente datum was.

De opkomst van de Romeinse zevendaagse planetenweek was een direct gevolg van de invloed die Joden op handel, verkeer en maatschappij uitoefenden. In de laatste drie eeuwen voor Christus hadden Joden zich in zeer groten getale buiten Judea gevestigd, in alle landen rond de Middellandse Zee, eerst vooral in Egypte, Syrië en Klein-Azië, later ook in Griekenland, Rome en de kusten van Afrika en Spanje. Het feit dat de meeste van deze Joden op sabbat niet werkten kon niet anders dan effect hebben op de arbeid ook van niet-Joden.

De Joodse geschiedschrijver Josephus beweerde aan het eind van de eerste eeuw na Christus niet zonder trots, maar ook wel met enige overdrijving: „Er is geen stad, hetzij Grieks, hetzij barbaars, noch enig volk, waartoe onze manier om de zevende dag (zaterdag) te vieren niet is doorgedrongen.”

Iets anders zei de christelijke auteur Tertullianus het een eeuw later, toen hij opmerkte dat de Romeinen „de Saturnusdag (de zaterdag dus) wijdden aan lediggang en schranspartijen.”

In elk geval zijn onder invloed van het jodendom veel niet-Joden in de Romeinse samenleving van de eerste en de tweede eeuw de dag van Saturnus (zaterdag) als rustdag in acht gaan nemen.

Vreugde
Christenen hebben in de eerste eeuw van meet af aan de zevendaagse week overgenomen - niet de Romeinse planetenweek, maar de Joodse week, inclusief de Joodse aanduidingen van de dagen. Die aanduidingen luidden, vanaf de zondag: ”de eerste dag na de sabbat” (hê prôtê hêmera tôn sabbatôn), ”tweede dag”, ”derde dag”, ”vierde dag”, ”vijfde dag”, ”zesde dag” of ”voorbereiding” (paraskeuê) en sabbat.

Dat het de Joodse week was die de christenen overnamen, niet de Romeinse planetenweek, blijkt onder meer daaruit dat voor christenen, net als voor Joden, de zondag als eerste dag van de week bleef gelden, de maandag als tweede dag enzovoort.

In de Romeinse planetenkalender is de eerste dag de zaterdag. Alleen gebruikten christenen vanaf het eind van de eerste eeuw voor de zondag ook wel een eigen benaming: ”de dag van de Heer”, hê kuriakê hêmera.

In de loop van de tweede eeuw gingen christenen in het Westen echter over op het gebruik van de namen van de steeds sterker opdringende planetenweek, behalve voor de zondag, die ”dag van de Heer” bleef heten: dies dominicus.

De christelijke auteur Justinus bijvoorbeeld spreekt in Rome rond 150 van „de dag die men de dag van de zon noemt.” In het moderne Grieks zijn alle dagen de namen van de Joodse weekdagen blijven dragen, behalve de zondag, die niet meer ”eerste dag” heet, maar ”dag van de Heer”, kuriakê.

De hedendaagse week is zo een mengvorm van de Joods-christelijke week en de Romeinse planetenweek. Joods is het zevental van de dagen, de positie van de zondag als eerste dag van de week, en, in sommige talen, de benaming van de zaterdag als sabbat (bv. ”sàbbato” in het Italiaans en ”sabbato” in het Grieks).

Christelijk is de benaming van de zondag als dag van de Heer, zowel in de Romaanse talen (bv. ”domènica”, ”dimanche”) als in het Grieks (”kuriakê”).

Romeins ten slotte is de vernoeming van een aantal dagen naar zon, maan en planeten. Hun namen werden in Noord-Europa deels weer vervangen door hun Germaanse equivalenten. Als systeem is deze week een erfenis van het jodendom en het christendom.

De bijzondere positie nu die de zondag in de week ook in de huidige tijd inneemt, gaat via de wetgeving van Constantijn terug op de bevoorrechte plaats die deze dag tussen de andere weekdagen kreeg in het christendom van de eerste eeuw. Deze uitzonderlijke waardering blijkt onder meer uit het feit dat de zondag als enige weekdag al in de eerste eeuw een eigen christelijke benaming kreeg, ”de dag van de Heer”, ”hê kuriakê hêmera”, weldra kortweg kuriakê. Het speciale van de zondag blijkt ook daaruit dat deze dag volgens vroege christenen gevierd werd met bijzondere vreugde.

Dans
Het bijzondere van de zondag was echter niet dat hij een vrije dag was, want dat was hij niet. Tot Constantijn was de zondag een werkdag als alle andere werkdagen. Het enige waardoor de zondag van de christenen zich van de andere dagen onderscheidde was dat de christenen op zondagavond, na werktijd, gemeenschappelijk de avondmaaltijd gebruikten. Dát maakte de zondag, hoewel werkdag, tot feestdag.

Het was inderdaad kenmerkend voor christenen van de eerste en de tweede eeuw dat ze eens in de week ’s avonds samenkwamen om te eten en na afloop de avond samen door te brengen. Dit had plaats ten huize van één van de deelnemers.

De avond omvatte twee delen: de maaltijd en het ongedwongen samenzijn daarna. Dit was het stramien van de periodieke samenkomsten van talloze verenigingen, genootschappen en clubs in de Grieks-Romeinse wereld.

Steevast omvatten zulke samenkomsten de maaltijd en het onderhoudend samenzijn, ”deipnon” en ”sumposion”. Tijdens het tweede deel konden allerlei nuttige, aangename en opbouwende activiteiten plaatshebben: gesprekken, toespraken, improvisaties, voorlezingen, maar ook zang, muziek en dans, alles onder het genot van meer of minder wijn.

Het verenigingswezen had in de eeuwen rond het begin van de jaartelling een hoge vlucht genomen. Verenigingen waren er in vele soorten: genootschappen ter verering van een god of goden, gilden van beroepsgenoten, bijvoorbeeld timmerlieden, verenigingen voor vrijwillige brandweer, zangverenigingen, filosofische debatingclubs - aan de variëteit was geen einde.

We kennen hun structuur en functioneren goed uit antieke inscripties. Al die verenigingen hadden gemeen dat hun leden periodiek ’s avonds met elkaar gingen eten en nazitten.

Volgens dit model zijn ook de christenen hun samenkomsten gaan houden. Zoals alle verenigingen richtten ook de christelijke gemeenten zich met hun groepsmaaltijd naar een vast beginsel: zonder vormen en symbolische handelingen kan geen gezindheid blijven bestaan.

Cultuur
De keuze van de zondag voor de gezamenlijke maaltijd van de christenen moet mijns inziens uit pragmatische redenen worden verklaard. Het christendom ontstond als beweging binnen het jodendom. De christenen van de jaren dertig waren nog allen Joden, zo ook de meeste van de jaren veertig. We weten dat in veel Joodse families op zaterdag, aan het eind van de sabbat, in de huiselijke kring een goed, feestelijk avondmaal plaatshad, waarbij ook wel gasten werden genodigd.

Joden die christen waren geworden zullen doorgaans aan die familiemaaltijd op zaterdagavond zijn blijven deelnemen. Voor hen als christenen was echter een gemeenschappelijk maal met medechristenen toch belangrijker. Pas bij die groepsmaaltijd en in het samenzijn dat erop aansloot, konden zij hun nieuwe overtuigingen en verwachtingen volledig met geestverwanten delen.

Pas aan het christelijk avondmaal anticipeerden zij werkelijk op de ideale toekomst die zij verwachtten. Pas aan deze maaltijd beleefden zij dat zij een nieuwe schepping waren. Pas dit avondmaal was de volle uitdrukking van hun identiteit. Hierbij vergeleken was het Joodse familiemaal, hoe feestelijk ook, van mindere betekenis.

Onvermijdelijk ontstond zo tussen het nieuwe verenigingsmaal van de christelijke Joden en het sabbatsmaal van hun Joodse families enige concurrentie. Onbedoeld moet het christelijk groepsmaal door christelijke Joden als een soort aanvulling en correctie op het Joodse familiemaal van zaterdagavond zijn ervaren, mogelijk ook als een sublimatie daarvan.

Om het tekort van het familiemaal te compenseren moest het correctief, het christelijk avondmaal, daar liefst zo spoedig mogelijk op volgen. Een correctie is het effectiefst als ze zo spoedig mogelijk volgt op dat wat wordt verbeterd. Voor de samenkomst van de christelijke Joden was, na het familiemaal op zaterdagavond, het einde van de eerstvolgende dag, na afloop van het werk, de aangewezen tijd. Dat was de eerste gelegenheid na de sabbat.

Zo kwam, volgens deze hypothese, het christelijk verenigingsmaal op zondagavond terecht. Hiermee is niet gezegd dat de keuze voor de zondagavond een heel bewuste is geweest. Deze keuze kan zeer wel zonder veel reflectie, zonder veel overleg en tamelijk spontaan gemaakt zijn. Maar een zekere rationaliteit valt in de keus wel te ontdekken.

De zondag is daarmee geen sabbat in nieuwe gedaante; het is een nieuw verschijnsel daarnaast. Deze nieuwe zondag bleef het begin van de week, net als voorheen de eerste dag van de Joodse week. In tegenstelling tot de dag, de maand en het jaar, is de week niet afhankelijk van de beweging van hemellichamen. Ze is louter een product van de menselijke geest en de cultuur.

Het mag een wonder heten dat dit product van geest en cultuur bijna twee millennia met succes heeft overleefd.

רעו rcw in de Siloam Inscriptie

Yitzhak Sapir heeft een nieuwe blog "Bible and History Lists Comments", met als interessant artikel רעו rcw in the Siloam Inscription. Dit belooft een interessante blog te worden.

De Ooievaar

Een van de andere vogels die naast de Aalscholver in de lijsten van de onreine dieren worden genoemd is de Ooievaar (Lev 11:19). Dit komt omdat hij als moerasroofvogel leeft van kikkers, vissen en andere kleine waterdieren. De twee soorten ooievaars die in Israel voorkomen zijn de gewone of witte ooievaar Ciconia ciconia, en de zwarte ooievaar Ciconia nigra. De laatste wordt zo genoemd vanwege zijn zwarte rug en nek. Deze leven behalve in watergebieden ook in bebost gebied (cf. Ps. 104:17: Des ooievaars huis zijn de dennebomen). De nesten van ooievaars worden op grote hoogten gebouwd. Die in de schuilplaats des Allerhoogste is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen (Ps. 91:1). Die de Heere vrezen zullen in de hoogten wonen, hun brood wordt hen gegeven, hun water is gewis (Jes. 33:16).

In het Hebreeuws is de naam voor ooievaar חֲסִידָה chasidah, "vroom, weldoener". Deze naam is zeer toepasselijk en slaat op de zorgzame houding voor zijn jongen. Dat is ook de reden waarom in de hele wereld de ooievaar een symbool is van de tere zorg om een baby thuis te brengen en in de wieg te leggen.

De ooievaar is een trekvogel, Zij nemen de tijd van hun aankomst waar, zegt Jeremia (Jer. 8:7). Tijdens hun trektocht in het voor- en najaar naar Afrika, blijven ze een korte tijd in Israël. Dankzij hun grote en sterke vleugels zijn de ooievaars in staat om grote afstanden af te leggen, als zij gebruik maken van warme luchtstromen, de thermiek, kunnen zij honderden kilometers zwevend afleggen.

donderdag, februari 09, 2006

Psalm 16:10

Onze doden gaan ontwaken,
          Met geruis van dank en lof!
Dauw, als Eden eens besproeide,
          Zal beregenen hun stof.
En deze aarde, fel bewogen,
          Als bij 't sterven van haar Heer,
Bij bazuingeschal en donder
          Geeft haar lijken eenmaal weer.

                                        Da Costa

woensdag, februari 08, 2006

Archeologische lijsten

Enige dagen geleden maakte ik melding dat Joe Cathey en top 5 van archeologische vondsten had opgesteld. Christopher Heard heeft op zijn blog Higgaion een reeks posts gezet onder de titel "Of the making of lists there is no end". Op dit moment zijn verschenen Deel 1, 2, 3 en 4 een absolute aanrader om te lezen.

Ook Paleojudaica en Stephen C. Carlson hebben een aantal aanvullingen.

Wilde stier

De lezers zullen gemerkt hebben dat ik over het algemeen geen voorstander ben van de Nieuwe Vertaling, echter er zijn een aantal uitzonderingen. Een van deze, is het dier dat de Statenvertalers "eenhoorn" noemden (Ps. 22; Ps. 29; Job 39) en deze vertaling sloot aan bij de Septuagint en de Vulgaat. Echter iedereen weet dat dit een fabeldier is en waarschijnlijk hebben ze de "neushoorn" ermee bedoeld.

Uit de beschrijving in Job 39:12-15 blijkt dat met Hebreeuwse reeëm een sterk dier met machtige horens wordt bedoeld. Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe? Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen? Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten? Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?

Volgens de NBG-vertaling van 1951 gaat het om een woudos. De Groot Nieuwsbijbel spreekt van een stier of een buffel, de Willibrordvertaling van een buffel of een oeros, en volgens sommige onderzoekers zou het ook een spiesbok kunnen zijn.

In De Nieuwe Bijbelvertaling wordt dit dier 'wilde stier' genoemd. Na de passage van de wilde ezel in Job 39:5-8 die niet naar drijvers wil luisteren, past in vers 9-12 heel goed een wilde stier, die zich niet laat lenen voor het werk dat normaal door een os wordt gedaan.

Tachash - Dugong

Enige maanden geleden schreef ik met de blogger Andis Kaulins over de vraag of er een relatie was tussen het Hebreeuwse tachash en het Egyptische tḥś 'fijn leer'. Hij gaf toen een uitgebreide verhandeling hierover. In de Bijbel wordt dit woord gebruikt als materiaal wat gebruikt werd voor de tabernakel (Ex 25: 5; 26:14 ; 35:7 , 23 ; 36:19 ; 39:34) en eenmaal als schoeisel voor de voeten van een vrouw (Ez 16:10).

Nu blijkt dat in de oudere vertalingen van het OT, steeds in verband wordt gebracht met
een bepaalde kleur: violet of paars. Omdat het woord tachash meestal voorkomt in combinaite met 'or, 'huid, vel', zou het ook kunnen verwijzen naar een dier. Rashi stelt in zijn commentaar: "תְּחָשִׁ֖ים een soort wild, dat er niet [anders] was, dan op dat tijdstip [van den bouw der "Woning"]; en het had verscheidene kleuren; daarom wordt het [door Onkolos] vertaald: סַסְגּוֹנָא, dat zich verheugt [סס van שוש] en praalt met zijne kleuren [גונא, van גון, kleur] (Shabb. 28a en b, vgl. Tanch.)". Anderen gaan er van uit dat het de huid is een dolfijn (van het Ar.تُخَسٌ tuḫasun) of van een zeehond, een narwal, een geit, een giraffe of een okapi.

In de NBG is het woord tachash in Exodus en Numeri onvertaald gelaten en staat er 'tachasvel(len)'. Echter in Ezechiël 16:10 wordt het anders vertaald om zo een bepaalde kwaliteit van het tachashvel te benadrukken. Het gaat om schoeisel van tachash in de context van dure kleren en sieraden. Deze interpretatie zien we ook terug in de weergave van tachash met 'fijn leer' in de Willibrordvertaling en de Groot Nieuws Bijbel. Bij deze opvatting is niet onbelangrijk dat tachash ook wel als een Egyptisch leenwoord ( tḥś = 'fijn leer') wordt beschouwd.

Dit laatste is interessant, daar het ons een aanknopingspunt geeft om achter een andere betekenis van tachash te komen. Bedoeïenen op het oostelijk deel van het Sinaïtisch schiereiland zouden van oudsher sandalen vervaardigd hebben van de huid van de dugong, een soort zeekoe.

De dugong (Dugong dugon) is de meest aan het leven in de zee aangepaste zeekoe. Het is het enige nog levende lid uit de familie der dugongs (Dugongidae). Een ander lid van de familie, de Stellerzeekoe, stierf uit in de achttiende eeuw. De naam "dugong" komt van het Maleise "duyung", wat zeemeermin betekent. Waarschijnlijk zijn de legenden over zeemeerminnen ontstaan door ontmoetingen tussen zeelieden en dugongs. De dugong komt tegenwoordig voor langs de kusten van de Rode Zee, de Indische Oceaan en de westelijke Grote Oceaan. Langs de Afrikaanse kust is hij te vinden van Egypte tot Mozambique en Madagaskar. Hij is vrij algemeen in de Perzische Golf, en verder komt hij in Azë voor van Pakistan tot Sri Lanka, en van Okinawa, Japan zuidwaarts via Indonesië en de Filipijnen tot Melanesië en het Groot Barrièrerif.

  • Brown, D.D., D.Litt. Francis, Brown-Driver-Briggs Hebrew and English Lexicon p. 8476
  • Dorp, Dr. J. van, Met Andere Woorden, p. 05/3 p11-13
  • Encyclopedie, , The Catholic Encyclopedia, p. BADGER, http://www.newadvent.org/cathen/01517a.htm
  • Onderwijzer, A.S., Rashie's Pentateuch commentaar II, שמות p. 348

De Aalscholver (Lev. 11:17; Deut. 14:17)

In de lijsten van reine en onreine dieren wordt ook het "duikertje" genoemd (Lev. 11:17; Deut. 14:17). Hedendaagse vertalingen als de Willibrord geven "aalscholver", NV "visuil" en Naardense vertaling "visdief".

Het woord שָׁלָךְ shalak komt maar alleen op deze twee plekken in de Bijbel voor, en staat vermeld onder de onreine dieren tussen de uilen en de moerasvogels. Nu is het altijd moeilijk om een woord welke maar één of twee keer voorkomt correct te vertalen, hier hebben we als extra aanduiding dat het of om een uil of om een moerasvogel gaat. Daarnaast kunnen we van de stam van het woord shalak afleiden dat het om een "duiker" gaat.

Velen gaan er tegenwoordig van uit dat de שָׁלָךְ shalak de aalscholver (Phalacrocorax carbo) is, welke algemeen voorkomt aan de kust van de Middellandse Zee en de Jordaan vallei. De vogel is een fervente visrover en zijn vlees smaakt hierdoor zeer sterk naar vlees.

dinsdag, februari 07, 2006

StudieBijbel: Waar ligt de berg Sinai?

Naast de uitgebreide woordstudies, zijn woord voor woord vertalingen en zijn diepgaande commentaren is de StudieBijbel van het Centrum voor Bijbelonderzoek zo waardevol vanwege zijn excurses. Hierbij als voorbeeld de behandeling van de vraag: Waar ligt de berg Sinai?



Waar ligt de berg Sinai?
Het zal voor veel lezers een verrassing zijn dat we de ligging van de berg Sinai niet kennen en dat in de loop der tijden dertien verschillende bergen zijn aangewezen als de mogelijke berg waar Mozes God ontmoette. Voor de eerste lezers en hoorders moeten veel gegevens vanzelfsprekend zijn geweest, terwijl wij allerlei aanwijzingen niet meer kunnen plaatsen. Tevens moeten we beseffen dat de Bijbel in de eerste plaats geloofsinhoud wil geven. Ook de geografische details en bijzonderheden tijdens de woestijnreis gaan vooral over de relatie met God en daarom is het moeilijk een compleet geografisch beeld te krijgen. Maar anderzijds moet beseft worden dat de reis in een concrete regio heeft plaats gevonden en dat er toch heel wat aanwijzingen zijn die wij kunnen gebruiken voor een reconstructie. Er werd theologische geschiedenis geschreven en daarom mogen we ook op zoek gaan naar historische aanknopingspunten, terwijl veel commentatoren uitgaan van een vervormde overlevering en daarom geen moeite meer doen de historische omstandigheden te achterhalen.

1) Jebel Musa in het Sinaïtisch schiereiland
De traditie dat de berg Sinai in dit schiereiland ligt en gelijkgesteld moet worden met de indrukwekkende Jebel Musa (Arabisch voor: berg van Mozes), is pas afkomstig uit de derde eeuw na Christus, toen christelijke monniken zich daar vestigden. De kerkhistoricus Eusebius nam deze traditie over in de vroege vierde eeuw. In de reisbeschrijving van Egeria wordt deze berg ook genoemd (in de periode tussen 381 en 384). Op grond van die traditie liet keizer Justinianus het St. Catharineklooster bouwen, halverwege de zesde eeuw. G.I. Davies verdedigt deze plaats, maar M. Har-El (wiens Hebreeuwse naam ‘Berg Gods’ betekent!) noemt in zijn boek veel bezwaren, zoals de Egyptische invloed op het schiereiland en de grote problemen om aan voedsel en water te komen. (…)

2) Een locatie in het noorden van de Sinai
M. Har-El neemt aan dat de berg Jebel Sin Bishr bedoeld is, in het noordwesten van het schiereiland, terwijl Anati een pleidooi voert voor Har Karkom in de Negev. (…)

3) De berg Jebel el Lawz in Midjan
De auteurs Ron Wyatt, Dave Fasold, Larry Williams en Bob Cornuke zijn in recente tijd op zoek gegaan naar de Sinai en menen dat een berg in Midjan bedoeld is. Op een avontuurlijke manier zijn ze doorgedrongen tot het militair beveiligde gebied. Howard Blum heeft hun opvattingen samengevat in een spannend boek, waarin hij aangeeft het goud van de Israëlieten, dat ze bij de berg Sinai achtergelaten hebben, op het spoor te zijn. Deze auteurs baseren zich o.a. op Gal.4:25, waar de berg Sinai in Arabië gelokaliseerd wordt. (…)

4) De berg Bedr / Badr in Midjan
Reeds in de 19e eeuw hebben enkele geleerden zich uitgesproken voor de berg Bedr of Badr in Midjan. J. Negenman noemt in zijn Geografische gids ook deze mogelijkheid. Hij wijst op de teksten die verwijzen naar een gebied ten zuiden van Kanaän. De berg van God wordt in verband gebracht met Seïr, Paran, Edom en Teman (Deut.33:2; Ri.5:4; Hab.3:3). Al deze namen wijzen naar het bergachtige gebied ten westen en vooral ten oosten van de Wadi Araba, maar niet naar zuidelijker streken. Daarnaast is er het gegeven dat Mozes speciale banden bezat met Midjan. Ongeveer 140 km ten zuidoosten van het stadje Tabuk in noordwest-Arabië ligt op een vruchtbaar plateau de vulkaan Hala al-Badr (= krater van de volle maan). Het is een indrukwekkende berg, die door de vruchtbaarheid van zijn omgeving en door de nabijheid van de belangrijke handelsweg naar Zuid-Arabië een voorname rol gespeeld heeft op religieus terrein. Ex.19:16-18 wekt de indruk van vulkanische activiteit. Dit zou goed passen bij de genoemde krater, maar niet bij de huidige Mozesberg in het schiereiland die immers uit graniet bestaat.

Bij deze wil ik nogmaals het Centrum voor Bijbelonderzoek bedanken voor het mogen publiceren van deze reeks artikelen.

Oorlog en Vrede

De afgelopen tijd is in de media veel aandacht geweest over de cartoon rellen, ook veel bloggers (11,855 posts) hebben hier aandacht aan besteed. Sommigen noemden het barbarisme, anderen halen de argumenten van de moslims onderuit dat afbeeldingen van Mohammed wel zijn toegestaan.

Wat me vooral opviel was dat de politici van verschillende landen bleven benadrukken dat de Islam een vredelievende godsdienst is en dat deze uitwassen uitzonderingen zouden zijn. Nu kan het zijn dat de Islam de laatste jaren is veranderd, daarom heb ik eens gekeken naar de eerste honderd jaar van hun bestaan:
  • 623 - Battle of Waddan
  • 623 - Battle of Safwan
  • 623 - Battle of Dul-'Ashir
  • 624 - Muhammad and converts begin raids on caravans to fund the movement.
  • 624 - Zakat becomes mandatory
  • 624 - Battle of Badr
  • 624 - Battle of Bani Salim
  • 624 - Battle of Eid-ul-Fitr and Zakat-ul-Fitr
  • 624 - Battle of Bani Qainuqa'
  • 624 - Battle of Sawiq
  • 624 - Battle of Ghatfan
  • 624 - Battle of Bahran
  • 625 - Battle of Uhud. 70 Muslims are killed.
  • 625 - Battle of Humra-ul-Asad
  • 625 - Battle of Banu Nudair
  • 625 - Battle of Dhatur-Riqa
  • 626 - Battle of Badru-Ukhra
  • 626 - Battle of Dumatul-Jandal
  • 626 - Battle of Banu Mustalaq Nikah
  • 627 - Battle of the Trench
  • 627 - Battle of Ahzab
  • 627 - Battle of Bani Quraiza
  • 627 - Battle of Bani Lahyan
  • 627 - Battle of Ghaiba
  • 627 - Battle of Khaibar
  • 628 - Muhammad signs treaty with Quraish.
  • 630 - Muhammad conquers Mecca.
  • 630 - Battle of Hunsin.
  • 630 - Battle of Tabuk
  • 632 - Muhammad dies.
  • 632 - Abu-Bakr, Muhammad's father-in-law, along with Umar, begin a military move to enforce Islam in Arabia.
  • 633 - Battle at Oman
  • 633 - Battle at Hadramaut.
  • 633 - Battle of Kazima
  • 633 - Battle of Walaja
  • 633 - Battle of Ulleis
  • 633 - Battle of Anbar
  • 634 - Battle of Basra,
  • 634 - Battle of Damascus
  • 634 - Battle of Ajnadin.
  • 634 - Death of Hadrat Abu Bakr. Hadrat Umar Farooq becomes the Caliph.
  • 634 - Battle of Namaraq
  • 634 - Battle of Saqatia.
  • 635 - Battle of Bridge.
  • 635 - Battle of Buwaib.
  • 635 - Conquest of Damascus.
  • 635 - Battle of Fahl.
  • 636 - Battle of Yermuk.
  • 636 - Battle of Qadsiyia.
  • 636 - Conquest of Madain.
  • 637 - Battle of Jalula.
  • 638 - Battle of Yarmouk.
  • 638 - The Muslims defeat the Romans and enter Jerusalem.
  • 638 - Conquest of Jazirah.
  • 639 - Conquest of Khuizistan and movement into Egypt.
  • 641 - Battle of Nihawand
  • 642 - Battle of Rayy in Persia
  • 643 - Conquest of Azarbaijan
  • 644 - Conquest of Fars
  • 644 - Conquest of Kharan.
  • 644 - Umar is murdered. Othman becomes the Caliph.
  • 647 - Conquest of the island of Cypress
  • 644 - Uman dies and is succeeded by Caliph Uthman.
  • 648 - Campaign against the Byzantines.
  • 651 - Naval battle against the Byzantines.
  • 654 - Islam spreads into North Africa
  • 656 - Uthman is murdered. Ali become Caliph.
  • 658 - Battle of Nahrawan.
  • 659 - Conquest of Egypt
  • 661 - Ali is murdered.
  • 662 - Egypt falls to Islam rule.
  • 666 - Sicily is attacked by Muslims
  • 677 - Siege of Constantinople
  • 687 - Battle of Kufa
  • 691 - Battle of Deir ul Jaliq
  • 700 - Sufism takes root as a sect of Islam
  • 700 - Military campaigns in North Africa
  • 702 - Battle of Deir ul Jamira
  • 711 - Muslims invade Gibraltar
  • 711 - Conquest of Spain
  • 713 - Conquest of Multan
  • 716 - Invasion of Constantinople
  • 732 - Battle of Tours in France.
  • 740 - Battle of the Nobles.
  • 741 - Battle of Bagdoura in North Africa
  • 744 - Battle of Ain al Jurr.
  • 746 - Battle of Rupar Thutha
  • 748 - Battle of Rayy.
  • 749 - Battle of lsfahan
  • 749 - Battle of Nihawand
  • 750 - Battle of Zab
  • 772 - Battle of Janbi in North Africa
  • 777 - Battle of Saragossa in Spain
Uit deze gegevens blijkt dat alleen al tijdens Mohammed's leven er 26 oorlogen zijn gevoerd en in de tijdspanne van 623 tot 777 zijn 154 oorlogen gevoerd! Vredelievend is wat anders. Het is dan ook niet verwonderlijk, als Steven Runciman zich afvraagd waarom de Islam in de begin eeuwen zo invloedrijk was, hij tot de volgende conclusie komt: Indeed the strength of Islam lay in its simplicity. There was one God in Heaven, one Commander of the Faithful to rule on earth, and one law, the Koran, by which he should rule. Unlike Christianity, which preached a peace that it never achieved, Islam unashamedly came with a sword.

Het lijkt mij goed om toch maar weer eens de geschiedenis te gaan bestuderen en ons af te gaan vragen waarom de kruistochten (met al hun fouten!) waren begonnen. Was het niet Churchill die zei dat een land die zijn eigen geschiedenis vergeet is gedoemd deze opnieuw mee te maken.
  • Buhl, F. 'Muhammed' in Encyclopaedia of Islam
  • Caetani, L.C., Annali dell' Islam, Milan, 1905-14
  • Geisler, Norman, Baker Encyclopedia of Christian Apologetics, Grand Rapids, Michigan, Baker Books, 1999.
  • Glasse, Cyril, The Concise Encyclopedia of Islam, Harper & Row, Publishers, Inc. San Francisco, 1989.
  • Miller, William M., A Christian's Response to Islam, Presbyterian and Reformed Publishing, Phillipsburg, New Jersey, 1976.
  • Morey, Robert, The Islamic Invasion, Harvest House Publishers, Eugene Oregon, 1992.
  • Runciman, Steven, A History of the Crusades Vol. 1-3, Penguin Books Ltd., Middlesex, 1971

Drekgoden

In de oude Staten Vertaling wordt in het Oude Testament regelmatig het woord "drekgoden" gebruikt (Lev. 26:30; Deut. 29:17; 1 Kon. 15:12; 21:26; 2 Kon. 17:12; 21:11; 21:21; 23:24; Jer. 50:2; Ez. 6:4vv.), in veel nieuwe vertalingen is dit woord גלול gil-lool vertaald met afgoden of idolen.

Ik moest hier vanochtend aan denken, omdat ik een tijdje geleden in een kerk was waar men tijdens het gebed had over "shit God", nu weet ik dat "shit" tegenwoordig een populaire krachtterm is, maar om zo God aan te spreken? Het woord "shit" betekent in het Nederlands "stront" of in de taal van de Statenvertalers "drek". De vraag is dan ook af we God zo mogen aanspreken met: drek god.

Ik vermoed dat ze iets anders bedoelden, maar de afwezigheid van de heiligheid voor God is dan wel ver te zoeken. Toen ik in de concordantie dit woord opzocht viel me dan ook op, dat de Bijbel dit (bijna) altijd gebruikt in de context met de gelovigen (Israel). In Ez. 14:3vv lezen we Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet en iets verder Alzo zegt de Heere HEERE: Een ieder man uit het huis Israels, die de drekgoden in zijn hart opzet, en den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en komt tot den profeet, Ik, de HEERE zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte zijner drekgoden; Opdat Ik het huis Israels in hun hart grijpe, dewijl zij allen door hun drekgoden van Mij vervreemd zijn (vs. 4,5).

Opvallend is dat ondanks deze dwalingen God toch weer Zijn volk voor een keuze stelt: Bekeert u, en keert u af van uw drekgoden, en keert uw aangezichten af van al uw gruwelen (vs. 6). Maar wel met de volgende conditie Want ieder man uit het huis Israels, en uit den vreemdeling, die in Israel verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot den profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben de HEERE, hem zal geantwoord worden door Mij (vs. 7) .

Het is dan ook niet voor niets dat honderden keren in de Bijbel wordt gesproken dat God een heilig God is en dan wij, als we Hem willen volgen, ons ook moeten heiligen. En volgens mij past zulk taalgebruik dan ook geheel niet tijdens het gebed in een kerkdienst.

De hond

Een van de eerste huisdieren van de mens is de hond. En zeg nou zelf, je kunt veel vreugde aan zo'n dier beleven. Met zijn aandoenlijke trouwe ogen weet hij bijna alles van je gedaan te krijgen.


Onze hond is christelijk opgevoed, alle 'kruimekens' die van de tafel vallen (Mat 15:27) worden zorgvuldig door haar (het is nl. een vrouwtje) opgegeten. Als we met haar gaan wandelen, dan kan het niet anders dat zij haar soortgenoot, de 'windhond', nadoet en soepel rent van hot naar her (Spr. 30:31), om vervolgens uren lang uit te hijgen omdat zij zo "moe" is. In de tijd van Job werden de honden gebruikt als bewakers van de kudde, (Job 30:1), niet zozeer om de kudde bijeen te houden, maar vooral om de roofdieren 's nachts af te weren. Zo ook onze hond die dag in dag uit trouw ons huis bewaakt, zodra er maar iemand in de buurt van de deur komt, slaat zij aan. Dit beeld wordt gebruikt in Jesaja waar de leiders van het volk, die niet goed waken, worden vergeleken bij stomme honden, die niet blaffen als er gevaar aankomt (Jes. 56:10).

Toch stond de hond niet hoog aangeschreven in het oude Israel, verschillende teksten spreken over de hond en zijn gewoonten in ongunstige zin (Ps. 22:17; Spr. 26:11). Voor de mens konden deze troepen honden zelfs gevaarlijk zijn (Psalm 22:17, 21). Ze wisten ook overdag hun prooi te vinden (1 Kon. 22:38; 2 Kon. 9:36). Het kon dan ook niet anders dat negatieve kant van de hond ervoor zorgde dat het woord hond een scheldwoord werd (1 Sam. 17:43). In een latere periode werd hond een aanduiding voor de heidenen, omdat die naar de Joodse opvatting onrein waren. Zelfs Christus gebruikt het, zij het in een verzachte vorm (Matth. 15:26). Soms worden ze aangeduid als een type valse leraars (Filip. 3:2), of duiden ze mensen aan die terugvielen in de wereld (2 Petr. 2:22).

maandag, februari 06, 2006

Keren-Happuch (Job 49:14)

De dochters van Job: Jemima, Kezia en Keren-Happuch (Job 49:14-15) waren in hun tijd de mooiste vrouwen van het land (of de wereld, al naar gelang men הָאָרֶץ wil vertalen).

Volgens Gesenius betekent Keren-Happuch קֶרֶן הַפּוּךְ "hoorn voor verf", of in moderne bewoordingen een "poederdoos" of "make-up doos". Oosterse vrouwen hebben al eeuwen de gewoonte om hun gezichten te verfen, en dan vooral hun oogwimpers (Jer. 4:30). In de Bijbel lezen we dat Izébel dit deed toen ze hoorde dat Jehu naar Jizreël kwam (2 Kon. 9:30). Anderen denken dat de naam betekent "de straal van een kostbare steen", en volgens de Targum zou het gaan om de emerald. In 1 Kron. 29:2 door de SV vertaald met "borduursel" in de NV de "mozaïeksteentjes". Volgens de Targum "schitterde het aangezicht" van Keren-Happuch als die van een kostbare steen.

De vraag blijft of ze nu zo knap was van haar zelf, of omdat ze zich zo opmaakte. Ook tegenwoordig noemen we een vrouw die zich zwaar opmaakt een "poederdoos".

  • H.W.F. Gesenius, Hebrew-Chaldee Lexicon to the Old Testament [1979], p 744
  • Hiller. Onomastic. Sacr. p. 356

De verdorde vijgenboom (Mat 21; Mark 11)

In de Bijbel lezen we dat Jezus als hij zich op een keer in de omgeving van Jeruzalem bevindt hij naar een vijgenboom loopt om te kijken of er wat eetbaars aan was (Mat. 21:19; Mark. 11:13). Dit blijkt niet het geval te zijn en vervolgens vervloekt Hij de boom.

Nu is de tijd waarop Jezus op de boom toeliep nauwkeurig bekend. Het was na de intocht in Jeruzalem (Mark. 11:1-11), in het voorjaar vlak voor Pasen. Vandaar ook de opmerking het was de tijd der vijgen niet (Mark. 11:13). Als in het voorjaar aan de vijgenboom de bladeren tevoorschijn beginnen te komen, verschijnen er ook aan de uiteinden van de twijgen kleine groene vruchtjes ter grootte van kleine kersen. Deze vruchten worden door de Arabieren taqsh genoemd en ze zijn eetbaar. Nu zijn deze taqsh min of meer verscholen tussen de bladeren en om ze te ontdekken moet je er naar toe lopen en ze van vlakbij bekijken. Zo liep ook Jezus naar die vijgenboom om te kijken of er al van die kleine vruchtjes aanzaten. Hij wist dat het nog niet de tijd voor vijgen was, maar Hij kon wel taqsh verwachten.

StudieBijbel: παιδίον paidion

Eén van de andere aspecten waarom ik de StudieBijbel van het Centrum voor Bijbelonderzoek zo waardevol vind zijn de woordstudies die bij de delen van het Nieuwe Testament zijn gevoegd. Van ieder Grieks woord is een uitgebreide beschrijving, hoewel ik in mijn boekenkast de TWNT heb staan, ben ik toch geneigd om sneller in deze delen een woord op te zoeken. Als voorbeeld wil ik de studie van παιδίον paidion hieronder weergeven:

Het zelfstandig naamwoord (onz.) paidion betekent (1) ‘jong kind’, en (2) ‘kind’. Van oorsprong is het een verkleinwoord van 3296 pais ‘kind; knecht’, zodat het allereerst een ‘jong kind’ aangeeft (oorspronkelijk zelfs alleen een ‘zoogkind’). In deze eerste betekenis vinden we het algemeen gebruikt in Joh.16:21, en verder met betrekking tot Mozes (Hebr.11:23), Johannes de Doper (Luc.1:59vv.), en Jezus (bv. Matt.2:8vv.). Zo wordt in Luc.2 Jezus aanvankelijk (in Zijn eerste levensjaar) steeds paidion genoemd, maar in vs.43 pais (wanneer Hij twaalf jaar oud is). Ook in Marc.9:36-37 en parr. – waar telkens het gebruik van paidion volgehouden wordt – gaat het waarschijnlijk om ‘jonge kinderen’, evenals in Luc.18:16-17 en parr., gezien het gebruik van 916 brephos ‘baby’ in Luc.18:15. In Matt.11:16 en par. kan men ook aan de tweede betekenis denken (zie ook 3288 paidarion ‘jong kind’).

Aangezien het stamwoord pais ook een algemeen woord voor ‘knecht’ geworden is, wordt paidion in plaats daarvan gebruikt om duidelijk te maken dat het werkelijk om een ‘kind’ gaat, zonder dat het dan ‘jong kind’ hoeft in te houden. Dit is het geval in Matt.14:21 en 15:38, waar het voorkomt samen met ‘mannen’ en ‘vrouwen’. Anderzijds gaat het in Marc.9:24 en Joh.4:49 blijkens de context waarschijnlijk wel om een ‘jong kind’, want anders zou het gebruik van pais, getuige de parallelteksten en ook het vervolg, duidelijk genoeg geweest zijn om de betekenis ‘knecht’ uit te sluiten. In Luc.11:7 betreft het meer algemeen iemands kinderen, maar hier zou pais wel dubbelzinnig zijn, en hoewel men misschien eerder 4408 teknon ‘(iemands) kind’ verwacht zou hebben (vgl. de opmerking bij pais) ligt de nadruk in deze tekst op het feit dat de kinderen nog onvolwassen en bij de ouders inwonend zijn. In Hebr.2:13 – eigenlijk een citaat uit Jes.8:17 met betrekking tot Jesaja’s kinderen – gaat het op vergelijkbare wijze om de gelovigen als Gods kinderen. In twee gevallen wordt een meisje met het woord paidion aangeduid: het twaalfjarige dochtertje van Jaïrus (Marc.5:39vv.), en het dochtertje van de Syrofenicische vrouw (Marc.7:30).

We komen het woord verder tegen als een vriendelijke manier van aanspreken van een geestelijke vader tot zijn geestelijke kinderen (Joh.21:5; 1Joh.2:13,18), hoewel sommigen het in de eerstgenoemde tekst eerder opvatten als een meer vertrouwelijke uitdrukking, zoals ons ‘jongens!’. Tenslotte wordt het in 1Cor.14:20 overdrachtelijk in minder gunstige zin gebruikt voor mensen met een lagere ontwikkeling in geestelijk opzicht.

.1 παιδίον paidion jong kind (1/4)
.2 παιδίου paidiou jong kind (2)
.3 παιδία paidia jonge kinderen (1/4)
.4 παιδία paidia zie 3
.5 παιδίων paidiōn jonge kinderen (2)
.6 παιδίοις paidiois jonge kinderen (3)

Matt. 2:8 Gaat en doet nauwkeurig onderzoek naar dat kind; en zodra gij het vindt, .2

2:9 totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het kind was. .1

2:11 En zij gingen het huis binnen en zagen het kind met Maria, .1

2:13 neem het kind en zijn moeder en vlucht naar Egypte, en blijf aldaar, ...; .1


want Herodes zal alles in het werk stellen om het kind om te brengen. .1

2:14 Hij stond op en hij nam in de nacht het kind en zijn moeder .1

2:20 Sta op, neem het kind en zijn moeder en reis naar het land Israël, .1


want zij, die het kind naar het leven stonden, zijn gestorven. .2

2:21 En hij stond op en hij nam het kind en zijn moeder en kwam in het land .1

11:16 gelijk aan kinderen, die op de markten zitten en de anderen toeroepen: .6

zondag, februari 05, 2006

es-Safi, het oude Gath van de Filistijnen

Jim West die volgens mij dag en nacht achter internet zit maakt melding dat er een nieuwe blog is. Deze blog noemt zichzelf The Official and Unofficial Weblog of Tell es-Safi/Gath, ancient Gath of the Philistines. De enkele posts die ze tot nu toe hebben gepubliceerd lijken de naamgeving waar te gaan maken.

De Tell es-Safi is het Oud Testamentische Gath waar enige tijd geleden een scherf met de inscriptie van Goliath is gevonden.


Meer informatie over het archeologisch onderzoek is hier en hier te vinden.

Het wilde zwijn

Hoewel het Obelix favoriete voedsel is, was het voor de Joden één van de dieren waar ze de grootste afkeer van hadden. Het gaat om de chazier, het wilde zwijn uit het woud (Ps 80:14).

Volgens Leviticus 11:7 blijkt dat het zwijn zal u onrein zijn. Een zwijn gold dan ook vanouds als het beeld van vuilheid (Spr. 11:22; Mat. 7:6; Petr. 2:22), mede omdat het dier zich al te graag wenteld in de modder (Deut. 4:8).

In de evangeliën lezen we dat in de omgeving van Decapolis (oostelijk van het meer van Tiberias) er zwijnen werden gehoed (Mat. 8:30; Mark. 5:12; Luk. 8:32; 15:15), we moeten hierbij denken aan tamme zwijnen of varkens. Deze bewoners waren van heidense afkomst en hielden zich niet aan de spijswetten van Mozes.

Dat deze dieren werden verafschuwd door de Joden blijkt uit één van de anecdotes dat in de begintijd van de kibbutzim varkens werden gehouden, echter omdat dit niet mocht noemde men ze "zebra's". Bekend is ook het korte verhaal van Edgar Allan Poe Een verhaal uit Jeruzalem waar religieuze Joden ten tijde van de belegering door de Romeinen een deal met de belegeraars hadden gesloten om een ram te kopen voor de offerdienst, die toch vooral doorgang moest blijven vinden. Nadat ze een mand met zilveren shekels hadden laten zakken, werd door de Romeinen een dier in de mand gestopt welke de religieuze Joden weer naar boven takelden. Pas toen de mand nog slechts enige tientallen centimeters van de voeten van hen verwijderd waren, verried een laag gegrom de aanwezigheid van een buitengewoon groot varken. Van schrik lieten ze het touw los en terwijl het vrijgekomen gemeste varken hals over kop temidden van de Romeinen terechtkwam, riepen ze: 'Het is het vlees waarvan we de naam niet over onze lippen kunnen krijgen.'

Een geschiedenis van satan

Phil Harland heeft de afgelopen weken op zijn blog een interessante reeks over de geschiedenis van satan op allerlei gebied. Tot nu toe heeft hij de volgende onderwerpen behandeld:

De moeite waard om te lezen.

De Olijfboom die geen koning wou zijn. (Richt. 9:8-9)

Olijfbomen (Olea europaea Lin.) hebben zich vanuit Israel langs het gehele Middellandse Zeegebied verspreid en is een van de eerste bomen die gecultiveerd werden.

De olijfboom is een eenvoudige boom. Ook op dorre aarde geeft hij delicate vruchten af. De eerste vruchten kunnen na 4 jaar worden verwacht. Tussen de 12 en 15 jaar geeft een olijfboom de meeste vruchten. Olijven zijn eerst groen en krijgen geleidelijk een donkere kleur, tot ze rijp zijn en kan meer dan duizend jaar oud worden. Van sommige olijfbomen op de Olijfberg in Jeruzalem wordt wel gezegd dat ze 2000 jaar oud zijn. Zelf heb ik er gezien die ruim 1,5 meter in doorsnee waren, helemaal hol, maar toch nog vruchtdragend.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de parabel van Jotham de oude olijfboom als eerste werd verzocht om koning over de andere bomen te worden (Richt. 8:8-9). Het is ook niet vreemd dat deze boom als symbool van de vrede, deze eer weigert en aangeeft dat hij gemaakt is door God om olijfolie te produceren. En niet "zweverig" boven de andere bomen uit te steken.

Deze boom is beroemd om zijn overlevingskunst in onvruchtbare gebieden en staat om die reden ook bekend als symbool voor hoop en nieuw leven. Interessant is dat in dit kader de duif (ook een symbool van vrede en hoop) aan het einde van de zondvloed door Noach erop uit wordt gestuurd (Gen. 8:9) om droog land te zoeken en (bij de tweede keer) tegen de avond terug kwam met een olijfblad in haar snavel (Gen. 8:11). Blijkbaar was deze boom zelfs in een verwoeste aarde, zoals na de zondvloed in staat om te overleven.

zaterdag, februari 04, 2006

De Zeloten

De Zeloten vormde een groepering onder de joden in de 1e eeuw van de gangbare jaartelling die sterk ijverde dat het Uitverkoren Volk van God weer zelfstandig leven kon. De Romeinse bezetter moest dus worden verdreven. Ze belichaamden een "mix" van nationalistische gekrenktheid en religieus meerderwaardigheidsbesef. In Jezus' gezelschap kwamen ook Zeloten voor; een zekere Simon de Zeloot staat vermeld onder de naaste volgelingen van Christus. (Mattheus 10:4)

Flavius Josephus, een verklaarde vijand van de Zeloten, beschrijft de dramatische escalatie van de spanning tussen Zeloten (hun terreurgroep de en Sicarii, 'de mannen met de lange messen') aan de ene kant en anderzijds de Romeinse militairen en bv. de tollenaars die het met hen houden. Bijna tweeduizend jaar later zie je nog voor je hoe het Land wegglijdt in een fase van toenemende gewelddadigheid. In zekere zin wordt de Joodse Opstand door hen uitgelokt; een gewelddadige reactie van de Romeinen en totale vernietiging van het zelfstandig Joods volksbestaan in het jaar 70 AD is het gevolg.

De huidige betekenis van de term 'zeloot' is: fanatiek ijveraar voor religieuze of ethische denkbeelden.

Opgeslagen onder: Zeloten

Daily Hebrew

De blog van Daily Hebrew is volledig vernieuwd en heeft vanaf heden zijn eigen domainname op http://www.dailyhebrew.com/ update je favorieten.

Studiebijbel: De kern van Israëls geloof (Deut. 6:4-9)

Als vervolg op onze vorige blog, hierbij het commentaargedeelte welke wordt gegeven in de Studiebijbel OT bij het gedeelte van Deuteronomium 6:4-9. Voor verdere informatie over dit schitterende commentaar verwijs ik naar de website van de Studiebijbel, waar u ook het commentaar kan bestellen.

Hier begint de ontvouwing van het gebod dat in vers 1 genoemd is. Evenals in andere plechtige situaties klinkt hier de oproep tot horen en dus ook gehoorzamen (vgl. 4:1). De zes woorden in het Hebreeuws worden samen wel het Sjema genoemd en vormen de centrale geloofsbelijdenis in het Jodendom. Dit bijbelgedeelte wordt aan joodse kinderen geleerd zodra ze kunnen spreken. Het is de bedoeling dat een gelovige Jood dit woord – overeenkomstig vers 7 – tweemaal per dag reciteert: ’s morgens en ’s avonds. Ook bij het sterven wordt, zo mogelijk, dit Sjema uitgesproken. Zo worden de Joden onderwezen om de naam van God op hun lippen te hebben van hun vroegste jeugd tot het moment van sterven.1 De laatste letters van het eerste en het laatste woord zijn in de Hebreeuwse handschriften met extra grote letters geschreven.2 De vertaling is niet zo eenvoudig omdat een werkwoord ontbreekt en omdat het laatste woord op diverse manieren opgevat kan worden. 3 Vanuit de samenhang zal vooral de uniekheid bedoeld zijn: de HERE, de God van Israël, is de enige; daarom is Hij ‘onze God’ en daarom is er de opdracht Hem lief te hebben. De opdracht in vers 5 is zo een logische consequentie van de belijdenis in vers 4.4 De gevraagde exclusieve liefde is gemotiveerd door de bewezen genade van God. Bij ons, die het gezegde kennen ‘liefde laat zich niet dwingen’, kan de vraag rijzen hoe er een opdracht tot liefhebben gegeven kan worden. Bij de beantwoording van die vraag is het van belang te zien hoe Mozes in deze hoofdstukken een beroep doet op de ervaringen, met als doel dat de betoonde liefde van God wederliefde bij de Israëlieten oproept. Tevens gaat het hier niet om een liefde die louter een gevoel of emotie is, maar om een liefde die zich, net als in de ouder-kind relatie, uit in gehoorzaamheid, loyaliteit en eerbied.5 De genade van God gaat voorop en de keuze
van het hart van de Israëlieten openbaart zich in daden. Het liefhebben van de HERE dient te gebeuren met hart en ziel en met alle kracht.6 Jezus sluit zich hierbij aan en beroept zich op deze woorden om het hoofdgebod te omschrijven (Mat.22:37v.; Mar.12:28v.7; vgl. ook Luc.10:25vv.). Paulus lijkt ook aan te sluiten bij het Sjema als hij schrijft: ‘één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop van uw roeping, één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen’ (Ef.4:4-6).

Noten:
  1. In navolging van rabbi Akiba probeert men het slotwoord zo lang te rekken dat het sterven gelijk valt met het uitspreken van het laatste woord ‘één’ (P. Lapide, 77v., S.Ph. de Vries, 261). Het belang van het Sjema blijkt ook uit Papyrus Nash, een liturgische tekst uit de 2e eeuw v.Chr., waar het direct volgt op de Tien Geboden.
  2. De ‘ayin in H¸mav en de dalet in 'exAd zijn - niet in de hier afgedrukte tekst, maar wel in de officiële gedrukte uitgaven - extra groot geschreven. De ‘ayin en de dalet vormen samen het Hebreeuwse woord vEd, dat ‘getuige’ betekent. Men heeft niet de eerste en de laatste letter genomen, de sjin en de dalet, want die letters samen zouden het woord HEd vormen, met de betekenis ‘afgod’ of ‘demon’.
  3. ‘JHWH (is) onze God, JHWH (is) één’. Het telwoord één kan opgevat worden als a) nummer één, een rang in een polytheïstische context; b) enig of uniek; c) eenvoudig of eenvormig; d) een eenling, alleenheid (zonder familie). De eerste betekenis kan niet van toepassing zijn binnen het monotheïsme (4:35,39; 7:9). Het telwoord kan de betekenis hebben van ‘enig’ of ‘alleen’, zie Joz.22:20; 2Sam.7:23; 1Kr.29:1; Job 23:13; 31:15; Hoogl.6:9 en Zach.14:9. Op deze manier (mogelijkheid b) kan de tekst niet gebruikt worden als argument tegen de Drie-eenheid in het christelijk geloof. Een ‘wezensuitspraak’ past niet in het verband en is ook geen argument voor de oproep in vs.5. Overigens kan 'exAd ook een collectieve eenheid aanduiden, bijv. in Gen.1:5;2:24; Num.13:23: een diversiteit binnen de eenheid. Zo hebben christelijke geleerden ruimte gevonden voor een trinitarisch monotheïsme in het Sjema, maar de eerder gegeven uitleg is eenvoudiger. JHWH als enige, zie 4:35,39 en 7:9. De tegenwerping dat eerder l¸baDDÙ gebruikt zou zijn, gaat niet op, omdat dit een bijwoord is en dat past niet in een nominale zin.
  4. De eerste letter van w¸'AhabTA vs.5 (waw) drukt de logische consequentie uit. Terecht heeft SV ‘Zo zult gij’ en NBV vertaalt ‘Heb daarom’, een samenhang die in NBG, GNB en WV achterwege wordt gelaten.
  5. Vgl. 4:37. Het begrip ‘liefhebben’ wordt in afgeleide zin ook in vazalverdragen gebruikt om de loyaliteit en gehoorzaamheid van de vazal ten opzichte van de soeverein aan te duiden.
  6. Het hart wordt beschouwd als de zetel van het verstand en de wil. ‘Ziel’ is geen afzonderlijk deel van de mens, maar is het meest persoonlijke zelf. Zie bij 4:29. m¸'Od kracht) is hier en in 2Kon.23:25 een zelfstandig naamwoord ter aanduiding van het fysieke vermogen van de mens: zijn daden en inspanningen. In Sir.7:30-31 wordt het woord uitgewerkt in de richting van bezit, rijkdom. Bij elkaar wordt de totale mens bedoeld, vgl. 18:13 ‘onberispelijk’.
  7. Voor christenen ligt de basis van de verlangde totale toewijding vooral in het volbrachte werk van Christus (bijv. Kol.3). Daarbij is het voor ons ook van belang te beseffen dat Paulus schreef: ‘Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ik ook door Christus Jezus gegrepen ben’ (Fil.3:12). Vgl. ook 2Pet.3:18 over het opgroeien in de genade en kennis van Christus.

StudieBijbel: Deuteronomium 6: 4-9

Enige maanden geleden schreef ik dat er een nieuw deel van de SBOT was uitgegeven door het Centrum voor Bijbelonderzoek. Dit commentaar is zo waardevol, dat ik met toestemming van de uitgever, een aantal gedeeltes op mijn blog wil publiceren.

Een van de grote voordelen is dat er een woord voor woord vertaling is opgenomen, met daarnaast de belangrijkste verschillen per vers van de verschillende vertalingen. Ook is gedacht aan de wensen van de lezers, door boven ieder woord de Strong codering toe te voegen. Als voorbeeld is hier het gedeelte van Deuteronomium 6: 4-9 gegeven.




Indien u geïnteresseerd bent in dit commentaar, ga dan naar de betere christelijke boekhandel of ga direct naar hun website www.studiebijbel.nl om de delen te bestellen. Op dit moment hebben ze de actie dat u 20 % korting krijgt als u de gehele 17-delige serie Studiebijbel NT in een keer koopt. Aardig is dat ze dan ook de CD-rom er gratis bij geven.

vrijdag, februari 03, 2006

Tel Dan

Volgens Dr. Joseph Cathey die een top 5 lijst heeft opgesteld met archeologische vondsten, is de grote nummer 1 de vondst van de Tel Dan stêle. In zijn blog worden veel bronnen genoemd en is dan ook een aanrader om te lezen. Waarom de stêle van Tel Dan nummer 1 is blijkt uit een vervolg blog waarin hij een nog uitgebreidener lijst geeft.

De overige in zijn lijst zijn:
Update: Daily Hebrew heeft een artikel geplaatst over de Tel Dan inscriptie. Ook Stephen C. Carlson heeft op zijn blog Hypotyposeis hierover geschreven.

La Source

Af en toe krijg ik email uit Frankrijk van een goede vriend. Enige jaren geleden is hij geëmigreerd naar dit mooie land en is daar samen met zijn vrouw begonnen aan een opvangcentrum voor jongelui die het even niet meer zien zitten. Omdat ik me bij hun werk betrokken voel, plaats ik hieronder een stuk uit hun laatste email :

Jij bent uniek, maar de situatie helaas vaak niet. Een dolgedraaide maatschappij, druk van school of baan, persoonlijke problemen, wellicht een worsteling met God; allemaal oorzaken waarom het niet zo gaat als je misschien wel diep van binnen verlangt.

Het leven in Frankrijk op boerderij “La Source”is doorgaans eenvoudig en overzichtelijk en je bent aangewezen op elkaar. Wonen en werken op de boerderij brengt je dichter bij de essentie van het leven.


God geeft je elke dag wat je nodig hebt. In dat leven van alledag wordt zichtbaar wie je bent. Samen met jou willen we werken aan en nieuw perspectief, we willen de liefde van God aan je doorgeven om zo weer het vertrouwen te herwinnen on het leven op te pakken.

Voel jij je aangesproken door al deze aspecten? Neem dan contact met ons op; mail naar : janvanee at wanadoo dot fr of kijk op www.eventjesfrankrijk.nl , of bel gewoon, 0033 471234150

Als je je aangesproken voelt, neem contact met hen op, je bent bij hen in goede handen.

De zalving door Maria van Bethanië

Enkele dagen voor het Pascha werd Jezus en Zijn discipelen uitgenodigd door een zekere Simon de Melaatse (Mat 26:6; Mark 14:3), die zeer waarschijnlijk een Farizeër was (Luk 7:36), voor een etentje. Het is niet duidelijk of dit nou in het huis was van deze Simon of dat hij ze uitnodigde in het restaurantje van Lazarus (Joh 12). In ieder geval alle 4 de evangelisten hadden het over dezelfde gelegenheid, daar alle vier verhalen over de uitzonderlijke gebeurtenis die tijdens dit etentje voorviel.

Plotseling verschijnt er een vrouw die, zoals Lukas vermeldt, in de stad als een zondares bekend stond (Luk 7:37). Als in de Bijbel op zo'n manier over een vrouw geschreven wordt, dan is dat om aan te duiden dat ze het op seksueel gebied niet zo nauw nam. Nu kwam dat in die tijd vaker voor dat vrouwen in dit soort eetgelegenheden niet alleen eten en drinken in de aanbieding hadden (vergl. Ook Rachab in Jozua 2). De evangelist Johannes stelt dat het Maria, de zuster van Lazarus en Martha was en windt er dus geen doekjes om. Deze Maria huilt erbarmelijk, zoals alleen vrouwen in het Oosten kunnen, en haar tranen vallen op Jezus voeten die ze daarna droogt met haar lange haren.

Terwijl de tafelgenoten nog niet van hun verbijstering zij bijgekomen, pakt ze een schitterende albasten kruik die gevuld is met de kostbare nardismirre. Ze giet de gehele inhoud (een halve liter!) uit over Jezus en de geur verspreid zich door het gehele huis (Joh 12:3). Dan wordt het voor de omstanders te veel, wat een schandelijk gedrag en dan die verspilling van de kostbare mirre. Niemand heeft aandacht voor de emotionele ontlading die er achter dit grootse gebaar van Maria schuilging. Iedereen sprak schande over het verspilde kapitaal.

Die olie vertegenwoordigde een gigantisch kapitaal, namelijk 300 shillingen, of omgerekend ruim € 15.000,-- dat is het salaris van het hedendaagse minimum inkomen. Blijkbaar had ze haar geld belegd in parfum en in dat geval was de Indische nardusmirre een perfecte keus geweest. Al eerder hadden we behandeld dat een joodse vrouw tot een tiende van haar jaarinkomen mocht besteden aan cosmetica en parfumeriën, in dat geval moest ze een rijke vrouw zijn geweest, dat ze zoveel opzij kon leggen. Ook is het mogelijk dat ze via deze daad alles wat ze (financieël) bezat gaf.

We kunnen ons afvragen wat haar bezielde. Was het een gebaar van dankbaarheid voor de eerste man in haar leven die haar op een hoger niveau had geplaatst dan eten, drinken en seks? Was het misschien een uiting van spijt of schuld voor alles wat er in haar leven was misgegaan? Of was het omdat ze met vrouwelijke intuïtie het onafwendbare drama van Christus voelde aankomen? We weten het niet, Jezus was de enige die begreep wat er gebeurde en zei 'Laat haar begaan, ze heeft dit gedaan voor de dag van Mijn begrafenis' (Mark 14:8).

woensdag, februari 01, 2006

Dan (Gen. 30: 1-6)

Dan is stamvader van een der 12 stammen van Israel, Jakobs 5de zoon en de oudste zoon van Jakob's bijvrouw Bilhah (Genesis 30: 1-6).

De naam Dan דָּן betekent Gerechtigheid (Genesis 30: 6). Rachel zag in deze geboorte een "gerechtigheid' in haar strijd met haar zuster Lea om zoveel mogelijk kinderen te krijgen en zodoende de belangrijkste vrouw van Jakob te zijn. Daar het erop leek dat Rachel geen kinderen kon krijgen zette ze haar slavin Bilhah in (draagmoederschap), om zodoende het moederschap te verkrijgen.

Over het leven van Dan is weinig tot niets bekend, uit de zegen van Jakob kan men wel een indruk krijgen wat voor karakter hij had. In een woordspeling op de betekenis van zijn naam, zegt Jakob: Dan zal zijn volk richten (Genesis 49:16), wat erop wijst dat hij (of zijn stam) zichzelf kan bedruipen, zonder de hulp van anderen. Het volgende onderdeel van de zegen Dan zal een slang zijn aan den weg, een adderslang nevens het pad, bijtende des paards verzenen, dat zijn rijder achterover valle. (vs. 17) wijst op de cerastes (in SV adderslang), een kleine gehoornde en giftige slang welke zich verstopt in holtes, vanwaar uit hij een snelle venijnige aanval doet op voorbijgangers. De zegen wijst duidelijk hoe Dan op subtiele en venijnige manier afrekend met zijn vijanden.

Uit het verdere verloop van de geschiedenis blijkt dat de stam ten tijde van de Exodus met 62700 mannen de twee na grootste werd (Numeri 1: 39) en tijdens de omzwervingen zelfs groeide tot 64400 mannen (Numeri 26: 43) en daarmee de een na grootste werd. Onder leiding van Ahiezer, de zoon van Ammisaddai (Numeri 1: 12) namen zij de noordflank in van Israels leger (Numeri 2: 25; 10: 25). Ondanks dat ze een machtig leger vormden was de spion Ammiel, de zoon van Gemalli (Numeri 13: 12) samen met 9 anderen spionnen bang om het beloofde land binnen te vallen (vs. 31-33). Dit resulteerde in het feit dat men 40 jaar langer in de woestein moesten rondzwerven.

Een andere bekende persoon van deze stam uit deze periode was Aholiab, den zoon van Ahisamach (Exodus 31:6; 35: 34), waarvan gezegd werd dat hij een een werkmeester en vernuftig kunstenaar, en een borduurder in hemelsblauw, en in purper, en in scharlaken, en in fijn linnen (Exodus 38: 23) was. Hij werd de rechterhand van Bezaleel, den zoon van Ur (Exodus 31: 2) en gaven leiding bij de bouw van de tabernakel.

Aan het eind van Mozes' leven zegt deze: Dan is een jonge leeuw; hij zal als uit Bazan voortspringen. (Deuteronomium 33: 22) daarmee duidend op hun durf en kracht waar ze op vertrouwden. Dat ze deze durf en kracht nodig hadden bleek wel uit het feit dat het gebied waar ze gingen wonen, noordelijk van Juda, ten oosten van Benjamin, omringt was met vijandige Filistijnen. Bekend is de richter Simson zoon van Manoach de Daniet (Richteren 13) welke woonde in Zora, overwon leeuwen en doodde honderden vijanden. Ondanks dat drongen de Amorieten de kinderen van Dan in het gebergte; want zij lieten hun niet toe, af te komen in het dal. (Richteren 1: 34) en zodoende gedwongen zocht de stam der Danieten voor zich een erfenis om te wonen; want hun was tot op dien dag onder de stammen van Israel niet genoegzaam ter erfenis toegevallen (Richteren 18: 1) en ze kwamen te Lais, tot een stil en zeker volk, en sloegen hen met de scherpte des zwaards, en de stad verbrandden zij met vuur (vs. 27-28).

Helaas bleek dat ze niet op de Heer vertrouwden en onder invloed kwamen van de afgoden, voorafgaand aan de strijd te Lais waren zij het huis van een zekere Micha ingegaan, en haalden daar het gesneden beeld, den efod, en de terafim, en het gegoten beeld weg (vs. 18)