zondag, juli 05, 2009

Turkse TV


Een Turkse TV-zender met de naam “Kanal T” heeft een opvallend idee: een TV-show met tien atheïsten, die worden toegesproken door een joodse rabbi, een islamitische imam, een boeddhistische monnik en een christelijke priester. Wat van priester, dat staat er niet bij: het kan een grieks-orthodoxe pope zijn, maar ook een vertegenwoordiger van een van de oosterse kerken. Aan het einde van de show bepalen de atheïsten wie ze het meest overtuigend vonden. De winnaar krijgt als prijs een reis naar Rome, Jeruzalem, Mekka of Tibet.

De Amerikaanse biblioblogger Jim West presenteert dit op zijn blog als “stupid news of the week”, en hoewel hij me vaak tot stof tot nadenken geeft, ben ik het dit keer niet met hem eens. We moeten als de wiedeweerga zo’n show organiseren in Nederland. Voor zo’n programma zou ik een TV kopen, of op zijn minst even aanschuiven bij mijn buurmeisje, want dit is iets wat wil ik zien: hoe een geestelijk leider zijn geloof uitlegt als hij niet kan preken voor de eigen gemeente. Niks is immers makkelijker dan zeggen dat Christus is gestorven voor onze zonden als je publiek dat al gelooft; het wordt pas de moeite waard om het uit te leggen aan een publiek dat vragen stelt als “wat is zonde?”

Maar de echte winst lijkt me dat een TV-show als deze een buitenkans is om vooroordelen weg te nemen. De jood zou kunnen leren dat christendom wel iets anders is dan imperfect jodendom; de christen kan ontdekken dat moslims consequenter zijn in het niet willen dienen van de Mammon; de moslim kan vaststellen dat joden niet streven naar de wereldheerschappij. (De lezer die wil tegenwerpen dat deze vooroordelen toch niet meer van deze tijd zijn - vergeet het maar. Alle drie voorbeelden heb ik de afgelopen tien dagen in de mail aangetroffen.) En ik zou nog vergeten dat de atheïst kan ontdekken dat sommige ideeën van religieuze mensen zo gek nog niet zijn. Kortom, eigenlijk zijn er alleen maar voordelen aan het plan van Kanal T.

Het enige wat we nodig hebben, is een viertal geestelijk leiders dat op TV wil. Wie op TV wil, is een ijdeltuit, en dus per definitie niet vertrouwenwekkend. Ik kan me althans niet voorstellen dat ooit iemand sympathie heeft opgevat voor het christendom door te luisteren naar priester Antoine Bodar. Als het TV-programma met zulke types wordt gemaakt, is het inderdaad het “stupid news of the week”.

Maar het moet mogelijk zijn mensen te vinden die, contre coeur, een doorleefd verhaal kunnen vertellen. Ik voorspel dat de gebruikelijke mediaverhalen zullen schitteren door afwezigheid: de jood zal het niet hebben over het conflict in het Midden-Oosten; de christen zal opmerken dat zijn waarden niets te maken hebben met de karikatuur die Wilders ervan schetst; de boeddhist zal zeggen dat de dalai lama niet dé stem is van zijn religie; de moslima zal suggereren dat de westerse media het hebben over hoofddoekjes en ontsporende straatjeugd om de werkelijke vragen te vermijden.

Gaan daar even een paar vooroordelen aan gruzels! In één klap kan iedereen weten dat je voor informatie over religie noch de kranten, noch de zelfbenoemde woordvoerders moet volgen. In de laatste aflevering zullen de atheïsten zeggen met stomheid geslagen te zijn en geen keuze te kunnen maken.

Jona Lendering

vrijdag, juli 03, 2009

Christenvervolging

Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en gij zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil.
Mattheüs 24: 9

Een overzicht van de belangrijkste (kranten)koppen van de afgelopen dagen die met christenvervolging te maken hebben, of hier naar neigen.


Schepping En Evolutie In De Levende Natuur (4)

Dit is het derde deel in een reeks artikelen van de hand van prof. Bruinsma. Hier is het eerste, tweede en derde artikel te vinden.

NIET-REDUCEERBARE COMPLEXITEIT

Zelfs al zouden er winstmutaties bestaan, dan nog kunnen deze niet zonder meer leiden tot hoger ontwikkelde organen of organismen. Om nog één keer de voorzichtige Darwin te citeren:
Als aangetoond kan worden dat er een complex orgaan bestaat dat onmogelijk gevormd kan zijn door zeer vele opeenvolgende kleine veranderingen, dan zou daarmee mijn theorie afgedaan hebben (Origin of Species, p.154).

En dat is nu precies het geval. Een voorbeeld: je arm kun je alle kanten op bewegen, omdat je schouder een kogelgewricht heeft. Dat geldt ook voor je heup, maar gelukkig niet voor je knie, anders zou je hoogstens zwalkend kunnen lopen. Je knie heeft een scharniergewricht, zodat je onderbeen alleen naar voren en achteren kan scharnieren. Dat gewricht is erg complex, nog afgezien van knieschijf, kapselbanden e.d. Eigenlijk is de knie een scharnierend schuifgewricht, dat zowel kan rollen als schuiven. Met twee knobbels onder aan je dijbeen, die passen in twee holten boven op je scheenbeen, kan je knie buigen, maar in principe kunnen die twee beenderen daarmee ook langs elkaar heen glijden, waardoor je knie uit elkaar zou kunnen vallen. Dat wordt verhinderd door twee kruisbanden, die aan weerszijden aan beide botten vastzitten en binnen het scharnier elkaar passeren. Aanhechtingsplaatsen en lengten van die kruisbanden liggen geometrisch precies vast om zowel verrekking als uitglijden te verhinderen. Elke voetballer weet wat er gebeurt, als zo’n kruisband wordt beschadigd!

Welnu, een dergelijk systeem, waarvan hier alleen het principe is beschreven, kan onmogelijk geleidelijk tot stand komen. Het moet in één keer in alle onderdelen precies goed aanwezig zijn om te kunnen functioneren. Een organisme, waarin het kniegewricht onvolledig aanwezig zou zijn, ‘in de loop van zijn ontwikkeling van lager naar hoger’, zou zich niet kunnen voortbewegen, laat staan voortplanten. Dit is een voorbeeld van niet-reduceerbare complexiteit: de ingewikkeldheid van het systeem kan niet worden verminderd, onvolledigheid van één van de elementen maakt het hele systeem onbruikbaar, alles moet tegelijk en volledig in één individu aanwezig zijn. Een recombinant of een mutant die aan zo’n voorlopig, nog in ontwikkeling verkerend, onwerkzaam orgaan energie en materiaal zou verspillen, verliest de struggle for life.

Een ander voorbeeld. Op een van de tropische Hawaï-eilanden zag ik tot mijn verbazing een Goudplevier rondscharrelen, een landvogel uit het Noordpoolgebied. Hoe kon dat? Het blijkt dat deze pacifische soort, die leeft in Alaska en Oost-Siberië, zich daar in de poolzomer volvreet, ‘opvet’, tot zijn lichaamsgewicht met de helft is toegenomen (stel je voor, jij met je 60 kg zo’n 30 kg vet erbij!). Dan vliegt de Goudplevier naar het zuiden om aan de koude poolwinter te ontkomen; niet, zoals te verwachten van een vogel die niet kan zwemmen of drijven, langs de kustlijn van Amerika of Azië, maar recht de Grote Oceaan op. Door weer en wind koerst hij rechtstreeks op de minieme Hawaï-eilanden af, 4500 km over zee. Deze eilanden hebben vroeger nooit dichter bij de Noordpool gelegen. De Goudplevier vliegt 90 uur onafgebroken met 50 km per uur. Niet langzamer, dan duurt de vlucht te lang en wordt hij te moe; ook niet sneller, want dan verbrandt hij zijn vet te oneconomisch. Als je uitrekent hoe snel hij onderweg zijn vet verbruikt, moet dat ongeveer 800 km vòòr Hawaï opgebruikt zijn: plons. Dat hij het toch juist haalt, komt doordat de vogels groepsgewijs vliegen, als ganzen in een V-formatie die de luchtweerstand efficiënt vermindert. Welnu, zo’n gedrag kan nooit door een geleidelijke evolutie zijn ontstaan: als in dat vogelkopje nog maar één stukje informatie onvolledig zou zijn, zou er geen pacifische Goudplevier bestaan, hij zou òf doodvriezen in de poolwinter òf verdrinken in de oceaan: dat is niet-reduceerbare complexiteit.

Dit is een voorbeeld uit de oecologie, het ene uiterste van de biologie; interessant is ook de, uiteraard strikt gelijktijdige, aanpassing aan elkaar van geheel verschillende organismen als bijv. bloemplanten en de hen bestuivende diersoorten. Aan de andere kant van de biologie, de moleculair-biologische, is de genetisch gereguleerde enzymsynthese, die we al bij het ontstaan van het leven tegenkwamen, een goed voorbeeld van een complex systeem dat niet kan werken als één der elementen niet volledig ontwikkeld is. Dit principe van de niet-reduceerbare complexiteit vinden we in de gehele levende natuur, van bacterie tot mens, van eiwitsynthese en celdeling tot orgaanbouw en gedrag. De levende natuur is, in tegenstelling tot de levenloze, vol van zulke systemen, waarvan niet één element kan worden gemist zonder dat de gehele functie volledig uitvalt. Buiten de levende natuur treffen we deze niet-reduceerbare complexiteit alleen, maar dan ook veelvuldig, aan bij door de mens ontworpen systemen. Michael Behe, een Amerikaans biochemicus, die dit principe in 1996 formuleerde, gaf als voorbeeld een muizenval. Voor een doorsnee muizenval zijn zeven onderdelen nodig, zoals een plankje, een veertje, een haakje voor het stukje kaas, enz.; ontbreekt één van deze elementen, dan heb je geen muizenval, geen muis die er in trapt. Vaak zijn zulke door de mens ontworpen technologische constructies heel ingewikkeld en bevatten zij ook regulatiemechanismen die werken met mee- en tegenkoppelingen. Bijv. een meetapparaat stelt vast dat een vloeistofniveau te laag daalt; het geeft daarop een signaal aan een toevoerklep die dan meer opent, eventueel ook aan een afvoerklep die meer gaat sluiten. Nadert het niveau een bovengrens, dan geeft de meter tegenovergestelde signalen af, zodat een bepaald niveau binnen zekere grenzen wordt gehandhaafd. Het apparaat is zodanig af te stellen, dat de fluctuatie niet te groot wordt, maar ook niet te klein, anders gaan de kleppen klepperen en treedt te veel slijtage op. Bij plant en dier komen ook veel van zulke regelsystemen voor, die balansen in het lichaam moeten handhaven; zij zijn vaak van hormonale aard. Denk maar aan de regeling van bloeddruk, hartslag, spijsvertering, spierbeweging, slaapritme en immuunsystemen; of aan de kiemrust van zaden en de groei en veroudering van stengels, bladeren, bloemen en vruchten.

Johan Bruinsma (Amsterdam, 1927) studeerde van 1945-'52 biologie aan de universiteit van Amsterdam en promoveerde daar in 1958 op de stofwisseling van vetplanten. In 1958 kwam hij bij het Centrum voor Plantenfysiologisch Onderzoek in Wageningen, waarna hij van 1968-'89 hoogleraar plantenfysiologie was aan de universiteit aldaar. Sinds zijn wedergeboorte in de jaren '80 is hij lid van de Vrije Evangelische Gemeente te Bennekom. Johan Bruinsma is getrouwd, heeft drie getrouwde kinderen en acht kleinkinderen tussen 18 en 28 jaar.

donderdag, juli 02, 2009

Neusringen

In Nederland is men om een één of andere reden bang om vragen te stellen op een blog, liever zoekt men het e-mailadres op om zo de vraag te stellen. Gevaar is natuurlijk wel dat zo'n vraag via de desbetreffende blog wordt beantwoord. Op deze manier kreeg ik een vraag die ik jullie niet wil onthouden, natuurlijk op het gevaar af dat jullie voortaan niet meer mijn blog lezen.

De vraag welke de desbetreffende schrijfster had, was: Is het volgens de Bijbel toegestaan om een neuspiercing of ring te dragen. Tja, en dan gaan er allemaal toeters en bellen klinken met wat moet ik daar nu mee. Als ik zeg dat het niet mag, dan heb ik bijna de gehele Evangelische jeugd tegen me, zeg ik dat het wel mag, dan krijg ik de rest tegen me. Bovendien is de kans zeer groot dat dit ook nog eens verhitte discussies is mijn gezin oplevert.

Gaan we kijken in de Bijbel (altijd veilig en bovendien is dat een deel van de vraag), dan blijkt dat er inderdaad vrouwen waren die neusringen droegen. De profeet Jesaja (3:21) vermeld dat de zondige vrouwen van Jeruzalem ze droegen naast een hoop andere sieraden en dat ze om hun zonden de sieraden zouden worden ontnomen. Niet erg positief dus. Een ander geval betreft Rebekka, die een gouden neusring krijgt naast een paar gouden armbanden van de dienstknecht van Abraham als deze haar wel geschikt vind als vrouw voor Izaäk (Gen. 24:22ev). Dat het hier niet ging om een ringetje welke bij de Hema wordt gehaald blijkt uit het feit dat het om een ring ging van ong. 7 á 8 gram goud. Het was dus een soort huwelijksgeschenk, een bewijs daarvoor vinden we in Ezechiël (16:12) waar God Zelf aan Zijn (symbolische) vrouw (Jeruzalem) een neus- en oorring schenkt.

Nu zullen de tegenstanders en vooral de liefhebbers van de Statenvertaling zeggen dat er helemaal geen sprake is van een neusring, maar van een "voorhoofdsiersel". Echter in de Hebreeuwse grondtekst is sprake van נזם neh'-zem, en in ieder Hebreeuws woordenboek zul je vinden dat dit de betekenis heeft van "neusring". Waarschijnlijk zijn er nog een paar die Spreuken (11:22) willen aanhalen waar zo mooi staat: Een schone vrouw, die van rede afwijkt, is een gouden bagge (neh'-zem "neusring") in een varkenssnuit. Maar ook dit is een non-argument, daar het hier niet gaat om een vrouw die niet redelijk meer is (C'est une femme belle et dépourvue de sens).

Moeten we het dan zomaar goedkeuren? Belangrijk is om te beseffen dat het in die cultuur normaal was om ringen in je neus te dragen, net zoals nu in India of het Midden-Oosten. Ik kan me voorstellen dat het dragen van een neusring in verschillende kringen in Nederland toch wel een grote cultuurshock teweeg brengt, naast het praktische probleem hoe je met zo'n grote ring nog kan eten. Om die reden houdt ik mijn antwoord dan ook neutraal: bij de cultuur van de Israëlieten in de Bijbel was het normaal om neusringen te dragen en om die reden wordt in het Oude Testament niet negatief erover gesproken. Dus wie zo'n "bagge" wil dragen, weet dan wel dat deze bij de oude Israëlieten niet zoals bij de Indiërs in de linker neusvleugel, maar in de rechter neusvleugel werd gedragen.

De foto is gemaakt door Indranil Mukherjee en gebruikt op basis van fair use.

Schepping En Evolutie In De Levende Natuur (3)

Dit is het derde deel in een reeks artikelen van de hand van prof. Bruinsma. Hier is het eerste en tweede artikel te vinden.

MICRO-EVOLUTIE

Maar die Darwin-vinken dan? Daarbij is toch duidelijk soortvorming vastgesteld, evenals naderhand door vele onderzoekers, bij zowel planten als dieren. Als bijv. een plantensoort zijn areaal uitbreidt aan weerszijden van een gebergte waar hij niet overheen kan, dan kunnen aan beide kanten door natuurlijke selectie van recombinatie en/of mutatie populaties ontstaan, die uiteindelijk niet meer met elkaar en/of met de ouderpopulatie zijn terug te kruisen. Dan is speciatie (soortvorming) opgetreden.

Dat is dè belangrijke ontdekking van Darwin: biologische soorten zijn niet vanaf de schepping in Genesis 1 onveranderlijk, zij kunnen zich verder ontwikkelen tot andere, nieuwe soorten. Maar deze bewezen vorm van evolutie, wat genetische rijkdom betreft resulterend in verarming, degeneratie, devolutie, bergafwaarts, moet als micro-evolutie onderscheiden worden van de slechts theoretische macro-evolutie van lager naar hoger ontwikkeld. Micro-evolutie, down-hill, is veelvuldig gevonden, maar up-hill macro-evolutie is nooit met zekerheid aangetoond. Het is de combinatie van Darwin’s genialiteit enerzijds en zijn onbekendheid met latere wetenschappen als genetica, biochemie en informatica anderzijds, die hem er toe bracht het door hem ontdekte down-hill proces ten onrechte te generaliseren tot een opwaarts gerichte ontwikkeling van laag naar hoog, als ‘van amoebe tot mens’. Voorzichtigheidshalve schreef hij al:
Te onderstellen dat het oog, met al zijn weergaloze vernuftigheden…, door natuurlijke selectie gevormd kan zijn lijkt, ik geef het toe, absurd in de hoogste graad. (Origin of Species, p. 167).

Anderhalve eeuw lang heeft de darwinistische evolutietheorie, in verschillende varianten om aan feitelijke bezwaren tegemoet te komen, een overheersend stempel gedrukt op de biologie en van daar uit op andere gebieden van menselijke activiteiten, tot op de economie, sociologie en psychologie toe. Wij moeten thans, op bovengenoemde wetenschappelijke gronden, onze inzichten herzien en de theorie beperken tot de degeneratieve micro-evolutie op soortsniveau. Wij zagen al, dat ook de paleontologie geen argumenten voor macro-evolutie oplevert.

Als het enig alternatief voor macro-evolutie schepping is, en micro-evolutie nieuwe soorten kan doen ontstaan tot op de huidige dag, hoe verhoudt zich dan dit laatste proces tot het ontstaan van de planten en dieren zoals in de scheppingsweek van Genesis 1 ? Geschiedenis, van mens, aarde of kosmos, is een éénmalig proces, dus niet reproduceerbaar en daarom niet experimenteel te toetsen. Wel houdt schepping een polyfyletische ontwikkeling van het leven op aarde in, zoals ook uit de paleontologie waarschijnlijk is geworden. Een veronderstelling is, dat bij de schepping van de planten en dieren ‘naar hun aard’ (Gen.1:21,24,25) gedacht kan worden aan genetisch heel rijke oertypen (zgn. ‘baramin’, naar ‘bara’ = scheppen en ‘min’ = soort, aard), die vervolgens via natuurlijke selectie van recombinatie en/of mutatie zich ontwikkelden tot de soorten, die wij in de huidige flora en fauna kennen. Bijv. een oer-mees, waaruit naderhand o.a. kool-, pimpel-, kuif-, staart-, buidel-, rouw- en zwarte mees zijn ontstaan. Overigens, als je bijv. ziet hoe mooi het verenkleed van deze vogeltjes is en hoe specifiek en constant ze nu zijn en blijven, kun je je ook beter nog een scheppende hand in deze micro-evolutie voorstellen dan een ongericht en doelloos toevalsmechanisme! God kan in de natuur juist ook met behulp van de door Hem gegeven natuurwetten werken. Toeval kan schijn zijn: als God gerichte mutaties en recombinaties zou bewerkstelligen, dan kan zijn scheppingswerk in de tijd doorgaan.

Al die soorten zijn echter wel onmiskenbaar mezen gebleven. Het is net zo als bij de teeltkeus door de mens in veredeling en fokkerij. Rozen kunnen veredeld worden tot miniatuur-, klim- of trosroos, in talloze kleurvariaties, het blijven allemaal rozen. En honden zijn uit elkaar gefokt van Chinees schoothondje tot Ierse wolfshond, maar wij blijven hen, en zij ook elkaar, herkennen als hond. Er komt nooit iets tussen hond en kat in, met selectie van recombinatie en mutatie kom je nooit buiten de ‘aard’ van het beestje, je blijft binnen de potentie van de ‘baramin’, het oertype.

En de mens, heeft die zich dan ook door degeneratie ontwikkeld tot al zijn huidige rassen? Ja, waarom niet? Volgens de Bijbel werd Adam, sprekende met God die zag dat het ‘zeer goed’ was, 930 jaar oud. Hij was ongetwijfeld een in alle opzichten zeer gezegend persoon en ook genetisch heel rijk gevarieerd. Dus waarom zouden de diverse rassen hem niet tot oervader gehad kunnen hebben? Dat die rassen door genetische verarming zijn gevormd, behoeft niet te leiden tot enigerlei vorm van denigrerend racisme. Ik zou niet weten of het blanke ras meer gedegenereerd is dan bijv. het Chinese. Een dergelijke vraagstelling vind ik trouwens ongepast wegens de principiële geestelijke gelijkwaardigheid van alle mensen als beelddragers van God.

Micro-evolutie kan dus binnen de soort leiden tot nieuwe rassen of ondersoorten en, als er populaties ontstaan, die niet meer binnen zo’n complex kruisbaar blijken, tot nieuwe soorten. Het begrip ‘soort’ (species) wordt immers gedefinieerd als het totaal van de individuen die onderling vruchtbaar kunnen kruisen. Soms worden bij kruising van verwante soorten nog wel nakomelingen gevormd, maar die kunnen zich dan meestal niet meer voortplanten; bijv. de kruising van een paardenhengst met een ezelin levert een steriele muilezel op. Hybridisatie, dat is kruising van rassen of ondersoorten onderling, levert vruchtbare hybriden op. Deze zijn, in tegenstelling tot de micro-evolutie in het algemeen, weer genetisch verrijkt door de combinatie van de twee verschillende genetische oudersets; hybriden zijn dan ook dikwijls groter dan hun ouders, het zgn. hybridisatie-effect. Ook de bovengenoemde, steriele muilezel is groter, sterker en zelfs intelligenter dan elk van de beide ouderdieren. De verrijking door hybridisatie blijft uiteraard beperkt tot het genenmateriaal dat binnen de soort reeds voorhanden was. Het verrijken van het genoom van vruchtbare nakomelingen met genen van buiten de soort is alleen mogelijk langs kunstmatige weg, bijv. met recent ontwikkelde biotechnologische methoden; maar dat zijn menselijke ingrepen die in de vrije natuur niet voorkomen.

Johan Bruinsma (Amsterdam, 1927) studeerde van 1945-'52 biologie aan de universiteit van Amsterdam en promoveerde daar in 1958 op de stofwisseling van vetplanten. In 1958 kwam hij bij het Centrum voor Plantenfysiologisch Onderzoek in Wageningen, waarna hij van 1968-'89 hoogleraar plantenfysiologie was aan de universiteit aldaar. Sinds zijn wedergeboorte in de jaren '80 is hij lid van de Vrije Evangelische Gemeente te Bennekom. Johan Bruinsma is getrouwd, heeft drie getrouwde kinderen en acht kleinkinderen tussen 18 en 28 jaar.

Blogger van de maand

Deze maand is er een interview met Tony Siew een van de auteurs van de Revelation is Real blog. Het interview is hier te lezen.

Biblical Studies Carnival XLIII

Onder de ludieke titel van "The Apocalypse of Eve" wordt de 43ste Biblical Studies Carnival georganiseerd door Patrick George McCullough op zijn weblog kata ta biblia. En het is beslist de moeite waard om te lezen.